Art. 30 Verordening (EU) nr. 702/2014, Steun voor het herstel van schade als gevolg van natuurrampen in de landbouwsector
1. Steunregelingen voor het herstel van schade als gevolg van natuurrampen is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 2, onder b), van het Verdrag en vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag als hij voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in de leden 2 tot en met 8 van dit artikel en in hoofdstuk I.
2. Voor steun die in het kader van dit artikel wordt toegekend, gelden de volgende voorwaarden:
a) de bevoegde autoriteit van de lidstaat heeft de gebeurtenis formeel als natuurramp erkend, en
b) er is een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de natuurramp en de schade die de onderneming heeft geleden.
3. De steun wordt rechtstreeks betaald aan de betrokken onderneming of aan een producentengroepering of -organisatie waarvan de onderneming lid is.
Wanneer de steun aan een producentengroepering of -organisatie wordt betaald, mag het steunbedrag niet hoger zijn dan het steunbedrag waarvoor die onderneming in aanmerking komt.
4. Steunregelingen met betrekking tot een specifieke natuurramp worden ingesteld binnen drie jaar nadat de natuurramp zich heeft voorgedaan.
De steun wordt binnen vier jaar na die datum betaald.
5. In aanmerking komen de kosten van de schade die als een rechtstreeks gevolg van de natuurramp is ontstaan, zoals getaxeerd door een openbare autoriteit, een door de steunverlenende autoriteit erkende onafhankelijke deskundige of een verzekeringsonderneming.
Bij de schade kan het gaan om:
a) materiële schade aan activa zoals gebouwen, uitrusting, machines, voorraden en productiemiddelen;
b) inkomensverlies als gevolg van de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de landbouwproductie en de landbouwproductiemiddelen.
De schade wordt berekend op het niveau van de individuele begunstigde.
6. De berekening van de materiële schade gebeurt op basis van de reparatiekosten of de economische waarde van het betrokken actief vóór de natuurramp. Deze schade mag niet groter zijn dan de reparatiekosten of de daling van de billijke marktwaarde als gevolg van de natuurramp, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van de eigendom onmiddellijk vóór en onmiddellijk na de natuurramp.
7. Het inkomensverlies wordt berekend door:
a) de hoeveelheid landbouwproducten die is geproduceerd in het jaar van de natuurramp of in elk volgend jaar waarin de weerslag van de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de productiemiddelen voelbaar was, vermenigvuldigd met de in dat jaar verkregen gemiddelde verkoopprijs;
af te trekken van:
b) de gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid landbouwproducten die is geproduceerd in de drie jaren voorafgaand aan de natuurramp of het gemiddelde van drie van de vijf jaren voorafgaand aan de natuurramp, de hoogste en de laagste productie niet meegerekend, vermenigvuldigd met de gemiddelde verkregen verkoopprijs.
Dat bedrag kan worden verhoogd met andere kosten die de begunstigde heeft gemaakt wegens de ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld.
Het bedrag wordt verlaagd met de kosten die, als gevolg van de natuurramp, niet zijn gemaakt.
Voor de berekening van de jaarlijkse landbouwproductie van de begunstigde mogen indexen worden gebruikt op voorwaarde dat de toegepaste berekeningsmethode het mogelijk maakt het reële verlies van de begunstigde in het betrokken jaar te bepalen.
8. De steun en de eventuele andere betalingen ter vergoeding van de schade, met inbegrip van betalingen in het kader van verzekeringspolissen, bedragen ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten.