Art. 14, Rechtsmiddelen
1. De lidstaten zien erop toe dat op de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregelen rechtsmiddelen toepasselijk zijn die gelijkwaardig zijn met die welke in een vergelijkbare binnenlandse zaak mogelijk zijn.
2. De materiële gronden voor het uitvaardigen van het EOB kunnen alleen in de uitvaardigende staat worden aangevochten, onverminderd de in de uitvoerende staat gewaarborgde grondrechten.
3. Indien de geheimhouding van een onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, krachtens artikel 19, lid 1, nemen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit passende maatregelen om ervoor te zorgen dat er informatie wordt verstrekt over de in het nationale recht geboden mogelijkheden om rechtsmiddelen in te stellen, zodra die middelen van toepassing worden, en wel tijdig zodat zij daadwerkelijk kunnen worden toegepast.
4. De lidstaten verzekeren dat de termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel dezelfde zijn als die in vergelijkbare binnenlandse zaken, en dat deze termijnen worden gehanteerd op een wijze die garandeert dat het recht tot aanwending van dat rechtsmiddel effectief kan worden gebruikt door de betrokken personen.
5. De uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit stellen elkaar in kennis van de rechtsmiddelen die tegen de uitvaardiging, de erkenning of de tenuitvoerlegging van een EOB zijn ingesteld.
6. De instelling van een rechtsmiddel schort de tenuitvoerlegging van de onderzoeksmaatregel niet op, tenzij dat in vergelijkbare binnenlandse zaken wel het geval is.
7. Indien de erkenning of tenuitvoerlegging van een EOB met succes is aangevochten, wordt daarmee in de uitvaardigende staat in overeenstemming met het eigen nationale recht rekening gehouden. Onverminderd de nationale procedurele voorschriften zorgen de lidstaten ervoor dat, bij het beoordelen van het middels het EOB verkregen bewijsmateriaal, de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedures tijdens een strafprocedure in de uitvaardigende staat worden gewaarborgd.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913
- HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1940
- HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:511
- HR 14 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:650
- HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1970
- HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:580
- HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1228
- Rb. Zeeland-West-Brabant 5 maart 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:1379
- Rb. Oost-Brabant 2 mei 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2544
- Rb. Midden-Nederland 27 november 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:7302
- Rb. Midden-Nederland 27 november 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6989
- Rb. Den Haag 8 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20104
- Conclusie A-G Sinnige 13 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:48
- Conclusie A-G Spronken 8 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:420
- Conclusie A-G Harteveld 14 januari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:37
- Conclusie A-G Harteveld 14 januari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:36
- Conclusie A-G Spronken 9 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:23
- Conclusie A-G Spronken 22 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:265
- Hof 's-Hertogenbosch 19 februari 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:493