HR 14 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:650
Medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. invoer van harddrugs (art. 10a.1.2 Opiumwet) en medeplegen gewoontewitwassen van geldbedragen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr). 1. Betekenis van EncroChat-uitspraak van HvJ EU voor toetsingskader dat is uiteengezet in HR:2023:913 over gebruik van resultaten van in buitenland verricht onderzoek voor bewijs. 2. Afwijzing van verzoeken tot voegen van stukken en horen van getuigen met het oog op toetsing van inzet van interceptietool door Frankrijk. 3. Verzoeken tot stellen van prejudiciële vragen. Ad 1. HR gaat in op betekenis van EncroChat-uitspraak van HvJ EU voor juridisch kader zoals opgenomen in HR:2023:913. Daarbij besteedt HR aandacht aan (i) uitvaardiging van Europees onderzoeksbevel, (ii) art. 31.1 Richtlijn 2014/41/EU, (iii) beoordeling van rechtmatigheid van het door EOB verkregen bewijsmateriaal en toepassing van art. 359a Sv, en (iv) prejudiciële vraag van Cour de cassation. Ad 2. Hof heeft verzoeken van verdediging afgewezen op de grond dat: (i) aan die verzoeken door verdediging als uitgangspunt ten grondslag is gelegd dat (mede gelet op EncroChat-uitspraak van HvJ EU) art. 31.1 Richtlijn 2014/41/EU met zich brengt dat Franse autoriteiten interceptie van mede zich in Nederland bevindende EncroChat-toestellen vooraf hadden moeten melden aan Nederlandse autoriteiten en dat, nu dit is uitgebleven, verdediging in gelegenheid moet worden gesteld om onderzoek te (doen) verrichten naar rechtmatigheid van die interceptie, (ii) gelet op art. 3 Richtlijn 2014/41/EU verkrijgen van bewijs en uitwisseling en overdracht daarvan tussen 2 lidstaten die gemeenschappelijk onderzoeksteam vormen, niet door Richtlijn 2014/41/EU worden beheerst, en dat genoemde uitspraak van HvJ EU niet tot ander resultaat leidt, en (iii) ook anderszins zich geen grond heeft voorgedaan op grond waarvan moet worden geoordeeld dat bij werken met gemeenschappelijk onderzoeksteam, notificatieverplichting is geschonden i.v.m. interceptie van zich in Nederland bevindende (telefoon)toestellen. Deze afwijzing door hof van verzoeken, waarin besloten ligt dat door verdediging verzocht onderzoek in redelijkheid niet van belang is voor enige in strafzaak te nemen beslissing, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Uit ’s hofs vaststellingen volgt dat interceptie van EncroChat-toestellen niet heeft plaatsgevonden o.g.v. (door Nederland uitgevaardigd) EOB maar op eigen initiatief van Franse autoriteiten. Verder volgt uit die vaststellingen dat Nederland en Frankrijk overeenkomst voor gemeenschappelijk onderzoeksteam hebben gesloten met het oog op uitwisseling van EncroChat-gegevens. Deze uitwisseling van gegevens (en dus ook verkrijging daarvan door Nederland) heeft niet plaatsgevonden o.g.v. (door Nederland uitgevaardigd) EOB. Art. 3 Richtlijn 2014/41/EU houdt in dat EOB alle onderzoeksmaatregelen omvat “met uitzondering van instellen van gemeenschappelijk onderzoeksteam en bewijsgaring i.h.k.v. dergelijk onderzoeksteam zoals voorzien in art. 13 Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen lidstaten van Europese Unie (...) en in Kaderbesluit 2002/465/JBZ van Raad, behalve met het oog op toepassing van art. 13.8 van overeenkomst en art. 1.8 van kaderbesluit”. Deze laatstgenoemde uitzondering heeft betrekking op (zich hier niet voordoend) geval waarin gemeenschappelijk onderzoeksteam rechtshulp nodig heeft van andere lidstaat dan lidstaten die dat onderzoeksteam hebben ingesteld. Gelet hierop zijn voorschriften van Richtlijn 2014/41/EU over EOB niet van toepassing op verkrijging van bewijsmateriaal door Nederland a.g.v. uitwisseling van EncroChat-gegevens i.h.k.v. het door Nederland en Frankrijk ingestelde gemeenschappelijk onderzoeksteam. Voorgaande neemt op zichzelf niet weg dat in geval dat in ene lidstaat wordt overgegaan tot aftappen van telecommunicatie, terwijl telecommunicatieadres van af te tappen of afgetapte persoon in gebruik is op grondgebied van andere lidstaat, voorschriften van art. 20 EU-Rechtshulpovereenkomst en art. 31 Richtlijn 2014/41/EU van belang kunnen zijn. In zo’n geval ontstaan immers verplichtingen voor ene lidstaat om andere lidstaat bepaalde informatie te verstrekken, terwijl andere lidstaat voortzetten van aftappen kan toestaan of kan doen beëindigen (vgl. HR:2023:913). Deze regelingen strekken ertoe dat betreffende andere lidstaat in staat wordt gesteld om te beslissen of (voorzetten van) aftappen kan worden toegestaan, al dan niet onder bepaalde voorwaarden. Nederlandse regelingen van art. 5.1.13 en 5.4.18 Sv houden in dat, als in dit verband kennisgeving wordt gedaan door bevoegde autoriteiten van andere (lid)staat, door OvJ machtiging van R-C wordt gevorderd tot verlenen van instemming met (voornemen tot) aftappen, of door R-C wordt beslist of met (voornemen tot) aftappen kan worden ingestemd. Deze regelingen strekken er dus toe dat aftappen van telecommunicatie, terwijl telecommunicatieadres van af te tappen of afgetapte persoon in gebruik is op grondgebied van Nederland, niet plaatsvindt zonder dat Nederland in gelegenheid is om te beslissen of dit aftappen al dan niet (verdere) doorgang mag vinden. Van belang daarbij is of in soortgelijke Nederlandse strafzaak opnemen van telecommunicatie ook zou worden toegestaan. Hof heeft vastgesteld dat in Nederland door OM machtiging van R-C is gevorderd voor geven van bevel tot binnendringen en doen van onderzoek in geautomatiseerd werk a.b.i. art. 126uba Sv en tot opnemen van (tele)communicatie a.b.i. art. 126t Sv, waarop die machtiging door R-C is verleend. Dit heeft plaatsgevonden voordat in Frankrijk is overgegaan tot interceptie van EncroChat toestellen, waaronder ook EncroChat-toestellen die zich in Nederland bevonden. Daarnaast is met het oog op uitwisseling van de door inzet van interceptietool verkregen EncroChat-gegevens door Nederland en Frankrijk een overeenkomst gesloten voor gemeenschappelijk onderzoeksteam. Hierbij was Nederland ook ervan op de hoogte dat communicatie van zich in Nederland bevindende EncroChat-toestellen zou worden onderschept. Uit dit alles volgt dat interceptie van EncroChat-toestellen, v.zv. deze zich in Nederland bevonden, niet heeft plaatsgevonden buiten wetenschap en instemming van Nederlandse autoriteiten om, en dat zich daarmee dus geen onregelmatigheden hebben voorgedaan die rechtmatigheid van gebruik van de aan Nederlandse autoriteiten overgedragen onderzoeksresultaten raken. Ad 3. In schriftuur worden verzoeken gedaan tot stellen van prejudiciële vragen aan HvJ EU, i.h.b. over uitleg van art. 31.1 Richtlijn 2014/41/EU en over beoordeling van rechtmatigheid van verkrijging van bewijsmateriaal in het licht van Unierecht. V.zv. opgeworpen vragen relevant zijn voor uitkomst van geschil, kan voorleggen van die vragen aan HvJ EU achterwege blijven omdat deze kunnen worden beantwoord aan hand van rechtspraak van HvJ EU (waaronder EncroChat-uitspraak) of geen twijfel kan bestaan over wijze waarop deze vragen over betrokken Unierechtelijke rechtsregel moeten worden opgelost. Ook verzoek van Cour de cassation om prejudiciële beslissing geeft geen aanleiding tot stellen van vragen, nu door Cour de cassation gestelde vragen geen betrekking hebben op beoordeling van onderzoeksresultaten die zijn verkregen door toepassing van opsporingsbevoegdheden in buitenland onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten, en die aan Nederland zijn overgedragen i.h.k.v. samenwerking in verband van gemeenschappelijk onderzoeksteam. Volgt verwerping. Samenhang met 24/02511, 24/02523 en 24/02659.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 81 RO
- Artikel 27 Sv
- Artikel 126m Sv
- Artikel 126t Sv
- Artikel 126uba Sv
- Artikel 126dd Sv
- Artikel 149a Sv
- Artikel 315 Sv
- Artikel 348 Sv
- Artikel 350 Sv
- Artikel 359a Sv
- Artikel 415 Sv
- Artikel 5.1.13 Sv
- Artikel 5.2.2 Sv
- Artikel 5.4.18 Sv
- Artikel 5.4.21 Sv
- Artikel 10a Opw
- Artikel 6 EVRM
- Artikel 6 VWEU
- Artikel 82 VWEU