Art. 45 Verordening (EU) nr. 1307/2013, Blijvend grasland

Verordening (EU) nr. 1307/2013

1. De lidstaten wijzen blijvend grasland aan dat ecologisch kwetsbaar is in zones als bedoeld in Richtlijn 92/43/EEG of Richtlijn 2009/147/EG, onder meer veen- en moerasgebieden in deze zones, en dat strikt moet worden beschermd teneinde de doelstellingen van die richtlijnen te verwezenlijken[

Lidstaten kunnen, met het oog op de bescherming van vanuit milieuoogpunt waardevol blijvend grasland, besluiten nog andere kwetsbare gebieden aan te wijzen die zich buiten de in Richtlijn 92/43/EEG of Richtlijn 2009/147/EG bedoelde zones bevinden, met inbegrip van blijvend grasland op koolstofrijke bodem.

Landbouwers mogen blijvend grasland dat zich in door de lidstaten uit hoofde van de eerste alinea en, in voorkomend geval, van de tweede alinea aangewezen gebieden bevindt niet omzetten of ploegen.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat het aandeel arealenvan blijvend grasland in het door de landbouwers overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a) van Verordening (EU) nr. 1306/2013 aangegeven totale landbouwareaal niet met meer dan 5 % afneemt ten opzichte van een referentieaandeel dat de lidstaten in 2015 vaststellen door zones van blijvend grasland als bedoeld in dit lid, tweede alinea, onder a), te delen door het totale landbouwareaal als bedoeld in onder b) van die alinea.

Voor het vaststellen van het referentieaandeel bedoeld in de eerste alinea:

a) wordt onder "zones van blijvend grasland" verstaan: blijvend grasland dat in 2012 of, in het geval van Kroatië, in 2013 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009 is aangegeven door landbouwers voor wie de verplichtingen in het kader van dit hoofdstuk gelden, alsook de zones van blijvend grasland die in 2015 overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 zijn aangegeven door landbouwers voor wie de verplichtingen in het kader van dit hoofdstuk gelden en die in 2012 of, in het geval van Kroatië, in 2013 niet als blijvend grasland zijn aangegeven;

b) wordt onder "totale landbouwareaal" verstaan: het landbouwareaal dat in 2015 overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 is aangegeven door landbouwers op wie de verplichtingen in het kader van dit hoofdstuk van toepassing zijn.

Het referentieaandeel van blijvend grasland wordt herberekend indien landbouwers voor wie de verplichtingen in het kader van dit hoofdstuk gelden op grond van artikel 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 verplicht zijn arealen in 2015 of in 2016 weer om te zetten in blijvend grasland. In dergelijke gevallen, worden deze arealen toegevoegd aan de zones van blijvend grasland als bedoeld in de eerste alinea, onder a) van dit lid.

Het aandeel blijvend grasland wordt jaarlijks vastgesteld op basis van de arealen die voor het betrokken jaar overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 zijn aangegeven door landbouwers op wie de verplichtingen in het kader van dit hoofdstuk van toepassing zijn.

Deze in dit lid vastgestelde verplichting geldt op nationaal, regionaal of passend subregionaal niveau. De lidstaten kunnen besluiten de verplichting op te leggen om het blijvend grasland op bedrijfsniveau te houden teneinde te waarborgen dat het aandeel blijvend grasland niet met meer dan 5 % afneemt. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus 2014 in kennis van dit besluit.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van het in dit lid bedoelde referentieaandeel en aandeel.

3 Indien blijkt dat het in lid 2 bedoelde aandeel met meer dan 5 % is afgenomen op regionaal of subregionaal niveau of, in voorkomend geval, op nationaal niveau, voorziet de betrokken lidstaat in verplichtingen op het bedrijfsniveauom land weer om te zetten in blijvend grasland voor landbouwers die over land beschikken dat van blijvend grasland of als blijvend grasland gebruikte grond is omgezet in land voor andere vormen van grondgebruik gedurende een periode in het verleden

Indien evenwel de overeenkomstig lid 2, tweede alinea, onder a), vastgestelde hoeveelheid zones van blijvend grasland in absolute cijfers gehandhaafd blijft binnen bepaalde grenzen, wordt de verplichting in lid 2, eerste alinea, als nagekomen beschouwd.

4. Lid 3 is niet van toepassing indien de afname onder de drempel het gevolg is van bebossing, mits deze bebossing verenigbaar is met het milieu en het niet gaat om de aanplant van hakhout met korte omlooptijd, kerstbomen of snelgroeiende bomen voor energieproductie.

5. Teneinde het aandeel blijvend grasland in stand te houden wordt de Commissie overeenkomstig artikel 70 gemachtigd om gedelegeerde handelingen aan te nemen tot vaststelling van nadere voorschriften voor de instandhouding van blijvend grasland, met inbegrip van voorschriften inzake heromzetting indien de verplichting in lid 1 van dit artikel niet is nagekomen, voorschriften die op de lidstaten van toepassing zijn voor het opleggen van verplichtingen op bedrijfsniveau voor het in stand houden van blijvend grasland als bedoeld in de leden 2 en 3, en alle in lid 2 bedoelde aanpassingen van het referentieaandeel die nodig blijken.

6. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen:

a) ter bepaling van het raamwerk voor de aanwijzing van nog andere kwetsbare gebieden als bedoeld in lid 1, tweede alinea, van dit artikel;

b) ter vaststelling van nadere methoden voor het bepalen van het aandeel blijvend grasland in het totale landbouwareaal dat overeenkomstig lid 2 van dit artikel moet worden aangehouden;

c) ter bepaling van de in lid 3, eerste alinea, van dit artikel bedoelde periode in het verleden.

7. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin de in lid 3, tweede alinea, van dit artikel bedoelde grenzen worden vastgelegd. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 71, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Verwijst naar

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen