Art. 46, Ecologisch aandachtsgebied

1. Indien het bouwland van een bedrijf meer dan 15 hectare beslaat, zorgen de landbouwers ervoor dat vanaf 1 januari 2015 een areaal dat ten minste 5 % vertegenwoordigt van het bouwland van het bedrijf dat de landbouwer overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 heeft aangegeven en, voor zover die gebieden als ecologisch aandachtsgebied worden beschouwd door de lidstaat overeenkomstig lid 2 van dit artikel, waaronder de onder c), d), g), en h), bedoelde gebieden, ecologisch aandachtsgebied is.

Het in de eerste alinea van dit lid bedoelde percentage wordt verhoogd van 5 % tot 7 % onder voorbehoud van een wetgevingshandeling van het Europees Parlement en de Raad overeenkomstig artikel 43, lid 2 VWEU.

Uiterlijk op 31 maart 2017 legt de Commissie een evaluatieverslag voor over de uitvoering van de eerste alinea van dit lid, in voorkomend geval vergezeld van een voorstel voor een wetgevingshandeling als bedoeld in de tweede alinea.

2. De lidstaten beslissen uiterlijk op 1 augustus 2014 dat een of meer van de volgende gebieden als ecologisch aandachtsgebied moet worden beschouwd:

a) braakliggend land;

b) terrassen;

c) landschapselementen, met inbegrip van elementen die grenzen aan het bouwland van het bedrijf; in afwijking van artikel 43, lid 1 van deze verordening, kunnen dit landschapselementen zijn die niet tot het subsidiabele areaal behoren overeenkomstig artikel 76, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 1306/2013;

d) bufferstroken, met inbegrip van bufferstroken bedekt met blijvend grasland, mits deze verschillend zijn van het aangrenzende subsidiabele landbouwareaal;

e) hectaren onder boslandbouw die overeenkomstig artikel 44 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 en/of artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 steun ontvangen of hebben ontvangen;

f) stroken subsidiabele hectaren langs bosranden;

g) areaal met hakhout met korte omlooptijd, waarop geen minerale meststoffen en/of gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt;

h) beboste gebieden als bedoeld in artikel 32, lid 2, onder b), ii) van deze verordening;

i) arealen met vanggewassen, of door het planten en kiemen van zaden ontstaan plantendek, waarop de wegingsfactoren van lid 3 van dit artikel van toepassing zijn;

j) arealen met stikstofbindende gewassen.

Met uitzondering van de in de eerste alinea, onder g) en h), genoemde gebieden van het bedrijf bevindt het ecologisch aandachtsgebied zich op het bouwland van het bedrijf. In het geval van de in de eerste alinea, onder c) en d), genoemde gebieden, kan het ecologisch aandachtsgebied ook grenzen aan het bouwland van het bedrijf die de landbouwer overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a) van Verordening (EU) nr. 1306/2013 heeft aangegeven.

3. Om het beheer te vereenvoudigen en om rekening te houden met de kenmerken van de in lid 2, eerste alinea, vermelde soorten ecologische aandachtsgebieden en het meten van de omvang ervan te vergemakkelijken, mogen de lidstaten bij het berekenen van het totaal aantal hectaren van het ecologisch aandachtsgebied van het bedrijf, de omzettings- en/of wegingsfactoren in bijlage X gebruiken. Indien een lidstaat besluit het gebied als bedoeld in lid 2, eerste alinea, onder i) of enig ander gebied waarvoor een weging van minder dan 1 geldt, als ecologisch aandachtsgebied aan te merken, is het gebruik van de wegingsfactoren in bijlage X verplicht.

4. Lid 1 is niet van toepassing op bedrijven:

a) waar meer dan 75 % van het bouwland wordt gebruikt voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen, braak ligt, wordt gebruikt voor de teelt van vlinderbloemige gewassen, of voor een combinatie daarvan wordt gebruikt, mits het akkerbouwareaal dat daar niet onder valt, niet meer dan 30 hectare beslaat.

b) waar meer dan 75 % van het subsidiabel landbouwareaal blijvend grasland is voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen wordt gebruikt of dat gedurende een aanzienlijk deel van het jaar of een aanzienlijk deel van de gewascyclus wordt beteeld met gewassen die onder water staan of wordt gebruikt voor een combinatie daarvan, mits het akkerbouwareaal dat daar niet onder valt, niet meer dan 30 hectare beslaat.

5. De lidstaten kunnen besluiten maximaal de helft van de in lid 1 bedoelde procentpunten ecologische aandachtsgebieden op regionaal niveau te implementeren, teneinde aanpalende ecologische aandachtsgebieden te creëren. De lidstaten stellen de gebieden en de verplichtingen van de deelnemende landbouwers of groepen landbouwers vast. De vaststelling van de gebieden en de verplichtingen moet bijdragen tot de tenuitvoerlegging van het beleid van de Unie ten aanzien van milieu, klimaat en biodiversiteit.

6. De lidstaten kunnen besluiten landbouwers van wie de bedrijven zich in de onmiddellijke nabijheidbevinden, toe te staan collectief te voldoen aan de in lid 1 bedoelde verplichting ("collectieve tenuitvoerlegging"), mits de betrokken ecologische aandachtsgebieden aan elkaar grenzen. Om de tenuitvoerlegging van het beleid van de Unie ten aanzien van milieu, klimaat en biodiversiteit te ondersteunen, kunnen lidstaten de gebieden aanwijzen waar collectieve tenuitvoerlegging mogelijk is, en kunnen zij de aan deze collectieve tenuitvoerlegging deelnemende landbouwers of groepen landbouwers verdere verplichtingen opleggen.

Iedere landbouwer die aan een collectieve tenuitvoerlegging deelneemt, zorgt ervoor dat ten minste 50 % van het areaal waarvoor de verplichting van lid 1 geldt, zich op de landbouwgrond van zijn bedrijf bevindt, en voldoet aan lid 2, tweede alinea. Het aantal landbouwers dat deelneemt aan een dergelijke collectieve tenuitvoerlegging bedraagt niet meer dan tien.

7. Lidstaten waarvan meer dan 50 % van de totale landoppervlakte bebost is, kunnen besluiten dat lid 1 niet van toepassing is op bedrijven die zijn gelegen in gebieden die door de betrokken lidstaten als gebieden met natuurlijke beperkingen zijn aangewezen overeenkomstig artikel 32, lid 1, onder a) of onder b), van Verordening (EU) nr. 1305/2013, mits meer dan 50 % van de landoppervlakte van de in de tweede alinea bedoelde eenheid bebost is en de verhouding van bosbouwgrond tot landbouwgrond hoger is dan 3:1.

Het bosbouwareaal en de verhouding van bosbouwgrond tot landbouwgrond worden beoordeeld op een niveau gelijkwaardig aan LAU2, of op het niveau van een duidelijk afgebakende eenheid die één duidelijk aaneensluitend geografisch gebied met een soortgelijke landbouwconditie bestrijkt.

8. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus 2014 in kennis van de besluiten als bedoeld in lid 2, en uiterlijk op 1 augustus van het jaar voorafgaand aan de uitvoering van eventuele besluiten als bedoeld in lid 3, lid 5, lid 6 en lid 7.

9. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot vaststelling van:

a) nadere criteria om te bepalen welke van de in lid 2 bedoelde soorten gebieden ecologische aandachtsgebieden zijn;

b) bijkomende soorten gebieden, anders dan die bedoeld in lid 2, die kunnen worden meegeteld voor de inachtneming van het in lid 1 genoemde percentage;

c) een aanpassing van bijlage X om de in lid 3 bedoelde omzettings- en wegingsfactoren vast te stellen en rekening te houden met de criteria en/of soorten gebieden die door de Commissie moeten worden vastgesteld uit hoofde van de punten a) en b);

d) voorschriften voor het opstellen van de in de leden 5 en 6 bedoelde tenuitvoerlegging, waaronder de minimumvoorschriften waaraan die tenuitvoerlegging moet voldoen;

e) het kader waarbinnen de lidstaten de criteria vaststellen waaraan bedrijven moeten voldoen om voor de toepassing van lid 6 te worden geacht zich in de onmiddellijke nabijheid te bevinden;

f) de methoden om het in lid 7 bedoelde percentage van beboste totale landoppervlakte en de in lid 7 bedoelde verhouding van bosbouwgrond tot landbouwgrond te bepalen.

Uitspraken die dit artikel aanhalen