Art. 40 Verordening (EU) nr. 1307/2013, Waarde van betalingsrechten

Verordening (EU) nr. 1307/2013

1. In het eerste jaar van uitvoering van de basisbetalingsregeling berekenen de lidstaten de waarde per eenheid van de betalingsrechten door een vast percentage van het in bijlage II vermelde nationale maximum voor elk betrokken jaar te delen door het aantal betalingsrechten in het eerste jaar van toepassing van de basisbetalingsregeling, met uitzondering van de uit de nationale reserve of regionale reserves toegewezen betalingsrechten.

Het in de eerste alinea bedoelde vaste percentage wordt berekend door het, respectievelijk, overeenkomstig artikel 22, lid 1 of artikel 23, lid 2 van deze verordening vast te stellen nationale of regionale maximum voor de basisbetalingsregeling voor het eerste jaar van uitvoeringvan de basisbetalingsregeling te delen, na toepassing van de lineaire verlaging als bedoeld in artikel 30, lid 1, of, in voorkomend geval, in artikel 30, lid 2, door het in bijlage II vermelde nationale maximum voor het eerste jaar van toepassing van de basisbetalingsregeling. De betalingsrechten worden uitgedrukt in een aantal dat overeenstemt met een aantal hectaren.

2. In afwijking van de in lid 1 bedoelde berekeningsmethode kunnen de lidstaten besluiten de waarde van de betalingsrechten in het eerste jaar van uitvoering van de basisbetalingsregeling te differentiëren, met uitzondering van de uit de nationale reserve of regionale reserves toegewezen betalingsrechten, voor elk betrokken jaar op basis van de initiële waarde per eenheid.

3. De in lid 2 bedoelde initiële waarde per eenheid van de betalingsrechten wordt vastgesteld door een vast percentage van de totale waarde van de steun die eenlandbouwer overeenkomstig deze verordening heeft ontvangen voor het kalenderjaar dat voorafgaat aan de uitvoering van de basisbetalingsregeling, vóór de toepassing van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 1306/2013, met uitzondering van steun overeenkomstig de artikelen 41, 43, 48 en 50 en titel IV van deze verordening, te delen door het aantal betalingsrechten dat die landbouwer in het eerste jaar van uitvoering van de basisbetalingsregeling is toegewezen, met uitzondering van de uit de nationale reserve en regionale reserves toegewezen betalingsrechten.

Dit vaste percentage zal worden berekend door het overeenkomstig, respectievelijk, artikel 22, lid 1, of artikel 23, lid 2, vast te stellen nationale of regionale maximum voor de basisbetalingsregeling voor het eerste jaar van toepassing van de basisbetalingsregeling, na toepassing van de lineaire verlaging als bedoeld in artikel 30, lid 1, of, in voorkomend geval, in artikel 30, lid 2, te delen door de totale waarde van de steun voor het kalenderjaar dat onmiddellijk voorafgaat aan de uitvoeringvan de basisbetalingsregeling in de betrokken lidstaat of regio, vóór de toepassing van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 1306/2013, met uitzondering van steun overeenkomstig de artikelen 41, 43, 48 en 50 en titel IV van deze verordening.

4. Bij de toepassing van lid 2 brengen de lidstaten, met inachtneming van de algemene beginselen van het Unierecht, de waarden van de betalingsrechten op nationaal of regionaal niveau dichter bij elkaar. Daartoe stellen zij de nodige maatregelen en de te hanteren berekeningsmethode vast en stellen zij de Commissie daarvan in kennis uiterlijk op 1 augustus van het jaar dat voorafgaat aan de uitvoering van de basisbetalingsregeling. Deze maatregelen bestaan onder meer in een jaarlijkse geleidelijke wijziging van de in lid 3 bedoelde initiële waarde van de betalingsrechten op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, vanaf het eerste jaar van uitvoering van de basisbetalingsregeling.

In het eerste jaar van uitoering van de basisbetalingsregeling stellen de lidstaten de landbouwers in kennis van de overeenkomstig dit artikel berekende waarde van hun betalingsrechten voor elk jaar van de door deze verordening bestreken periode.

5. Voor de toepassing van lid 3 kan een lidstaat op basis van objectieve criteria bepalen dat, in geval van verkoop, afstaan of verstrijken van de huur van landbouwareaal of een gedeelte daarvan na de uit hoofde van artikel 36, lid 5, vastgestelde datum en vóór de uit hoofde van artikel 33, lid 1, vastgestelde datum, de toename van de waarde van de betalingsrechten die aan de desbetreffende landbouwer zouden worden toegewezen, geheel of gedeeltelijk moeten vervallen aan de nationale reserve of regionale reserves indien de toename voor de landbouwer in kwestie een uitzonderlijke winst zou opleveren.

Deze objectieve criteria worden op zodanige wijze vastgesteld dat de gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden, en omvatten ten minste:

a) de minimumtermijn voor de huur;

b) het aandeel in de ontvangen betaling dat aan de nationale reserve of regionale reserves moet vervallen.

Vorige artikelen

Volgende artikelen