Art. 43, Algemene voorschriften
1. Landbouwers die recht hebben op een betaling in het kader van de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling nemen op al hun subsidiabele hectaren in de zin van artikel 32, leden 2 tot en met lid 5,de in lid 2 van dit artikel bedoelde klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken of de in lid 3 van dit artikel bedoelde gelijkwaardige praktijken in acht.
2. De in lid 1 bedoelde klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken houden de volgende in:
a) gewasdiversificatie;
b) het in stand houden van bestaand blijvend grasland; en
c) de aanwezigheid van een ecologisch aandachtsgebied op hun landbouwareaal.
3. De gelijkwaardige praktijken zijn onder meer soortgelijke praktijken die vergeleken met een of meer van de in lid 2 bedoelde praktijken een gelijkwaardig of hoger voordeel voor het klimaat en het milieu opleveren. Die gelijkwaardige praktijken en de in lid 2 bedoelde praktijk(en) waaraan zij gelijkwaardig zijn, zijn opgenomen in bijlage IX en vallen onder de volgende:
a) verbintenissen die zijn aangegaan overeenkomstig artikel 39, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 of artikel 28, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013;
b) nationale of regionale milieucertificeringsregelingen, zoals die voor de certificering van naleving van nationale milieuwetgeving, die verder gaan dan de krachtens titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde relevante dwingende normen en die ten doel hebben de streefdoelen inzake bodem- en waterkwaliteit, biodiversiteit, landschapsbescherming en beperkingvan en aanpassingaan de klimaatverandering te halen. Deze certificeringsregelingen kunnen de in bijlage IX bij deze verordening opgenomen praktijken, de in lid 2 van dit artikel bedoelde praktijken, of een combinatie van die praktijken omvatten.
4. De in lid 3 bedoelde gelijkwaardige praktijken komen niet in aanmerking voor dubbele financiering.
5. De lidstaten kunnen in voorkomend geval onder meer op regionaal niveau, besluiten beperkingen op te leggen inzake de keuze van landbouwers om de in lid 3 bedoelde opties te benutten.
6. De lidstaten kunnen, in voorkomend geval onder meer op regionaal niveau, besluiten dat landbouwers al hun relevante verplichtingen krachtens lid 1 moeten nakomen overeenkomstig de in lid 3, onder b), bedoelde nationale of regionale milieucertificeringsregelingen.
7. Afhankelijk van de in de leden 5 en 6 bedoelde besluiten van de lidstaten kan een landbouwer een of meer van de in lid 3, onder a), bedoelde praktijken enkel naleven indien deze de in lid 2 bedoelde ermee verband houdende praktijk(en) volledig vervangen. Een landbouwer kan enkel gebruik maken van de in lid 3, onder b), bedoelde certificeringsregelingen indien deze betrekking hebben op de volledige verplichting als bedoeld in lid 1.
8. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van hun besluiten als bedoeld in de leden 5 en 6 en van de specifieke verbintenissen of certificeringsregelingen die zij zullen toepassen als gelijkwaardige praktijken in de zin van lid 3.
De Commissie beoordeelt of de praktijken die deel uitmaken van de specifieke verbintenissen of certificeringsregelingen voorkomen op de lijst in bijlage IX; indien dit niet het geval is, stelt zij de lidstaat daarvan in kennis door middel van een uitvoeringshandeling zonder de procedure bedoeld in artikel 71, lid 2 of lid 3, toe te passen. Indien de Commissie een lidstaat ervan in kennis stelt dat de praktijken niet voorkomen op de lijst in bijlage IX, erkent deze lidstaat de specifieke verbintenissen of certificeringsregelingen waarop de kennisgeving van de Commissie betrekking heeft, niet als gelijkwaardige praktijken in de zin van lid 3 van dit artikel.
9. Onverminderd de leden 10 en 11 van dit artikel en onverminderd de toepassing van de financiële discipline, van de lineaire verlagingen overeenkomstig artikel 7 van deze verordening en van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 1306/2013, kennen de lidstaten de in dit hoofdstuk bedoelde betaling toe aan landbouwers die van de in lid 1 genoemde praktijken de voor hen relevante praktijken in acht nemen, en in de mate dat die landbouwers voldoen aan de artikelen 44, 45 en 46 van deze verordening.
Deze betaling wordt toegekend in de vorm van een jaarlijkse betaling per subsidiabele hectare die overeenkomstig artikel 33, lid 1, of artikel 36, lid 2, is aangegeven, en wordt jaarlijks berekend door het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 47 te delen door het totale aantal subsidiabele hectaren dat overeenkomstig artikel 33, lid 1, of artikel 36, lid 2, in de betrokken lidstaat of regio is aangegeven.
In afwijking van de tweede alinea kunnen de lidstaten die hebben besloten artikel 25, lid 2, toe te passen, besluiten de in dat lid bedoelde betaling toe te kennen als een percentage van de totale waarde van de betalingsrechten die de landbouwer overeenkomstig artikel 33, lid 1, voor elk betrokken jaar heeft geactiveerd.
Voor ieder jaar en iedere lidstaat of regio wordt dat percentage berekend door het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 47 te delen door de totale waarde van alle betalingsrechten die overeenkomstig artikel 33, lid 1, in de lidstaat of regio zijn geactiveerd.
10. Landbouwers wier bedrijf geheel of gedeeltelijk gelegen is in een gebied dat onder Richtlijn 92/43/EEG, Richtlijn 2000/60/EG of Richtlijn 2009/147/EG valt, hebben recht op de in dit hoofdstuk bedoelde betaling, mits zij de daarin bedoelde praktijken in acht nemen voor zover deze praktijken in het betrokken bedrijf verenigbaar zijn met de doelstellingen van die richtlijnen.
11. Landbouwers die aan de eisen van artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 834/2007 inzake biologische landbouw voldoen, hebben automatisch recht op de in dit hoofdstuk bedoelde betaling.
De eerste alinea is alleen van toepassing op de eenheden van een bedrijf die overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 834/2007 worden gebruikt voor biologische productie.
12. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
a) de toevoeging van gelijkwaardige praktijken aan de lijst in bijlage IX;
b) de vaststelling van passende eisen die gelden voor de in lid 3, onder b), bedoelde nationale of regionale certificeringsregelingen, ook wat betreft het niveau van zekerheid dat die regelingen moeten bieden;
c) de vaststelling van nadere bepalingen voor de berekening van het in artikel 28, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde bedrag voor de praktijken als bedoeld in afdeling 1, punten 3 en 4, en afdeling III, punt 7, van bijlage IX bij deze verordening en alle andere overeenkomstig punt a) aan die bijlage toegevoegde gelijkwaardige praktijken waarvoor een specifieke berekening nodig is teneinde dubbele financiering te voorkomen.
13. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin voorschriften worden vastgelegd voor de procedure voor de in lid 8 bedoelde kennisgevingen, met inbegrip van de termijnen voor de indiening ervan, en de beoordeling door de Commissie. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 71, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 5 oktober 2021, ECLI:NL:CBB:2021:916
- CBb 13 november 2018, ECLI:NL:CBB:2018:613
- CBb 17 juli 2018, ECLI:NL:CBB:2018:342
- CBb 18 december 2018, ECLI:NL:CBB:2018:674
- CBb 11 april 2018, ECLI:NL:CBB:2018:152
- CBb 10 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:93
- CBb 18 januari 2022, ECLI:NL:CBB:2022:22
- CBb 26 januari 2021, ECLI:NL:CBB:2021:80
- CBb 20 oktober 2020, ECLI:NL:CBB:2020:734
- CBb 17 maart 2020, ECLI:NL:CBB:2020:175
- CBb 25 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:107
- CBb 25 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:106
- CBb 26 februari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:79
- CBb 23 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:175
- CBb 12 maart 2018, ECLI:NL:CBB:2018:95
- CBb 20 november 2018, ECLI:NL:CBB:2018:617
- CBb 13 november 2018, ECLI:NL:CBB:2018:612
- CBb 6 november 2018, ECLI:NL:CBB:2018:577
- CBb 28 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:437
- CBb 8 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:317