Art. 367 Verordening (EU) nr. 575/2013, Vereisten inzake risicometing
1. Interne modellen voor de berekening van kapitaalvereisten voor het positierisico, valutarisico of grondstoffenrisico en interne modellen voor correlatiehandel voldoen aan elk van de volgende voorwaarden:
a) het model geeft alle wezenlijke prijsrisico's accuraat weer;
b) afhankelijk van de mate waarin de instelling op de betrokken markten actief is, geeft het model een voldoende aantal risicofactoren weer. Indien de instelling een risicofactor wel in haar prijsmodel maar niet in haar risicometingsmodel heeft verwerkt, is zij in staat deze weglating ten genoegen van de bevoegde autoriteit te rechtvaardigen. Het risicometingsmodel bestrijkt zowel de niet-lineariteit van opties en andere producten als het correlatierisico en het basisrisico. Indien vervangende maatstaven voor risicofactoren worden gehanteerd, hebben deze in het verleden bewezen adequaat te zijn voor de feitelijke aangehouden positie.
2. Interne modellen voor de berekening van kapitaalvereisten voor het positierisico, valutarisico of grondstoffenrisico voldoen aan elk van de volgende voorwaarden:
a) het model omvat een reeks risicofactoren die corresponderen met de rentevoeten voor elk van de valuta's waarin de instelling renterisicogevoelige posities binnen of buiten de balanstelling inneemt. De instelling geeft de rendementscurves weer door middel van een van de algemeen aanvaarde benaderingen. Voor wezenlijke blootstellingen aan renterisico in de voornaamste valuta's en markten wordt de rendementscurve in ten minste zes looptijdsegmenten verdeeld, om de variaties van de rentevolatiliteit in de rendementscurve weer te geven. Het model bestrijkt ook het risico van niet-perfect gecorreleerde bewegingen tussen verschillende rendementscurves;
b) het model omvat risicofactoren die corresponderen met goud en met de afzonderlijke buitenlandse valuta's waarin de posities van de instelling luiden. Voor icb’s worden de feitelijke valutaposities van de icb in aanmerking genomen. De instellingen kunnen zich baseren op de rapportage van een derde partij over de op icb’s ingenomen valutaposities, mits de deugdelijkheid van de rapportage naar behoren is aangetoond. Indien de valutaposities van een icb niet worden gevolgd door de instelling, dan moet deze positie afzonderlijk en overeenkomstig artikel 353, lid 3, worden behandeld;
c) het model gebruikt een afzonderlijke risicofactor voor ten minste elke aandelenmarkt waarop de instelling significante posities inneemt;
d) het model gebruikt een afzonderlijke risicofactor voor ten minste elke grondstof waarin de instelling belangrijke posities inneemt. Het model bestrijkt ook het risico van niet-perfect gecorreleerde bewegingen van vergelijkbare, doch niet identieke grondstoffen, alsmede het risico van veranderingen van termijnkoersen dat uit looptijdmismatches voortvloeit. Voorts moet rekening worden gehouden met kenmerken van markten, met name de leveringsdata en de ruimte die handelaren wordt geboden om posities af te wikkelen;
e) het interne model van de instelling levert een conservatieve beoordeling op van het risico dat volgens realistische marktscenario’s voortvloeit uit minder liquide posities en posities met beperkte prijstransparantie. Voorts voldoet het interne model aan minimale gegevensnormen. Vervangende gegevens zijn voldoende conservatief en worden alleen gebruikt als de beschikbare gegevens ontoereikend zijn of niet de ware volatiliteit van een positie of portefeuille weerspiegelen.
3. In interne modellen die voor de toepassing van dit hoofdstuk worden gebruikt, mogen de instellingen binnen risicocategorieën en over risicocategorieën heen empirische correlaties hanteren, doch uitsluitend indien de benadering waarmee de instelling de correlaties meet, solide is en op integere wijze wordt toegepast.