Art. 369 Verordening (EU) nr. 575/2013, Interne validatie
1. De instellingen beschikken over processen om te waarborgen dat al hun interne modellen die voor de toepassing van dit hoofdstuk worden gebruikt, op adequate wijze zijn gevalideerd door voldoende gekwalificeerde partijen die niet bij het ontwikkelingsproces betrokken zijn geweest, zodat deze modellen solide zijn qua concept en op adequate wijze rekening houden met alle wezenlijke risico's. De validatie vindt plaats bij de initiële ontwikkeling van het interne model en als er significante veranderingen in het interne model worden aangebracht. De validatie vindt ook periodiek plaats, maar vooral wanneer de markt significante structurele veranderingen of de samenstelling van de portefeuille veranderingen heeft ondergaan die ertoe kunnen leiden dat het interne model niet langer adequaat is. De instellingen maken gebruik van de vorderingen op het gebied van technieken en optimale werkwijzen voor interne validatie naarmate deze vorderingen zich voordoen. De validatie van het interne model blijft niet beperkt tot back-testing, maar omvat ten minste ook de volgende aspecten:
a) er worden tests verricht om aan te tonen dat de in het kader van het interne model gehanteerde aannames adequaat zijn en dat deze aannames het risico niet onder- of overschatten;
b) naast de wettelijk vereiste programma's voor back-testing, verrichten de instellingen hun eigen tests voor de validatie van het interne model, met inbegrip van back-testing, gerelateerd aan de risico’s en structuur van hun portefeuilles;
c) er worden hypothetische portefeuilles gebruikt om er zeker van te zijn dat het interne model in staat is rekening te houden met welbepaalde structurele kenmerken die zich kunnen voordoen, zoals wezenlijke basisrisico’s en concentratierisico.
2. De instelling verricht back-testing op zowel de feitelijke als de hypothetische veranderingen in de waarde van de portefeuille.