Art. 4 Richtlijn 2013/30/EU, Veiligheids- en milieuoverwegingen in het kader van vergunningen

Richtlijn 2013/30/EU

1. De lidstaten zorgen ervoor dat besluiten over het verlenen of overdragen van vergunningen voor offshore olie- en gasactiviteiten rekening houden met het vermogen van de aanvrager van een dergelijke vergunning om te voldoen aan de eisen voor activiteiten in het kader van de vergunning, als vereist door de betreffende bepalingen van uniaal recht, met name deze richtlijn.

2. In het bijzonder bij de beoordeling van de technische bekwaamheid en financiële draagkracht van de aanvrager van een vergunning, moet er rekening worden gehouden met het volgende:

a) het risico, de gevaren en andere relevante informatie over het vergunningsgebied, waaronder, in voorkomend geval, de kosten van aantasting van het mariene milieu als bedoeld in artikel 8, lid 1, onder c), van Richtlijn 2008/56/EG;

b) het specifieke stadium van de offshore olie- en gasactiviteiten;

c) de financiële draagkracht van de aanvrager, waaronder enige financiële zekerheid, om alle eventueel uit de desbetreffende offshore olie- en gasactiviteiten voortvloeiende aansprakelijkheden te dragen. Hiertoe behoort de aansprakelijkheid voor eventuele economische schade indien de nationale wetgeving in een dergelijke aansprakelijkheid voorziet;

d) de beschikbare informatie betreffende de technische bekwaamheden en de veiligheids- en milieuprestaties van de aanvrager, onder meer met betrekking tot zware ongevallen, voor zover van toepassing op de activiteiten waarvoor de vergunning is aangevraagd.

Voorafgaand aan het verlenen of overdragen van een vergunning voor offshore olie- en gasactiviteiten, raadpleegt de vergunningverlenende autoriteit zo nodig de bevoegde autoriteit.

3. De lidstaten zien erop toe dat de vergunningverlenende autoriteit alleen een vergunning verleent indien zij van oordeel is dat de aanvrager het bewijs heeft geleverd dat er voldoende voorzorgsmaatregelen zijn of zullen zijn op basis van door de lidstaten te treffen regelingen om alle eventueel uit de offshore olie- en gasactiviteiten van de aanvrager voortvloeiende aansprakelijkheden te dragen. De voorzorgsmaatregelen moeten van kracht en effectief zijn vanaf het begin van de offshore olie- en gasactiviteiten. De lidstaten eisen dat aanvragers op een passende manier het bewijs van technische bekwaamheid en financiële draagkracht verstrekken, alsmede alle andere relevante informatie over het gebied waar de vergunning betrekking op heeft en het specifieke stadium van de offshore olie- en gasactiviteiten.

De lidstaten beoordelen de geschiktheid van de voorzorgsmaatregelen als bedoeld in de eerste alinea om te bepalen of de aanvrager over toereikende financiële middelen beschikt voor het onmiddellijk treffen en het ononderbroken voortzetten van alle maatregelen die nodig zijn voor een doeltreffende reactie in noodsituaties en het daaropvolgend herstel.

De lidstaten faciliteren de gebruikmaking van duurzame financiële instrumenten en andere regelingen om aanvragers van vergunningen te helpen bij het aantonen van hun financiële draagkracht ingevolge de eerste alinea.

De lidstaten stellen ten minste procedures vast om te zorgen voor de snelle en adequate afhandeling van compensatievorderingen, onder meer met betrekking tot compensatiebetalingen voor grensoverschrijdende incidenten.

De lidstaten verplichten de vergunninghouder toereikende middelen aan te houden om te voldoen aan zijn financiële verplichtingen die voortvloeien uit aansprakelijkheden voor offshore olie- en gasactiviteiten.

4. De vergunningverlenende autoriteit of de vergunninghouder stellen de exploitant aan. Indien de exploitant door de vergunninghouder wordt aangesteld, wordt de vergunningverlenende autoriteit vooraf in kennis gesteld van de aanstelling. In dergelijke gevallen kan de vergunningverlenende autoriteit, indien nodig in overleg met de overeenkomstig artikel 8 aangestelde bevoegde autoriteit, bezwaar maken tegen de aanstelling van de exploitant. Indien zodanig bezwaar wordt gemaakt, eisen de lidstaten dat de vergunninghouder een andere geschikte exploitant aanstelt of de verantwoordelijkheden van de exploitant op grond van deze richtlijn op zich neemt.

5. De vergunningsprocedures voor offshore olie- en gasactiviteiten die betrekking hebben op een bepaald vergunningsgebied worden zo ingericht dat informatie die is ingezameld als gevolg van exploratie door de lidstaten in overweging genomen kan worden, voordat met de productieactiviteiten wordt begonnen.

6. Bij de beoordeling van de technische en financiële capaciteiten van een aanvrager van een vergunning moet bijzondere aandacht worden besteed aan alle in milieutechnisch opzicht gevoelige mariene en kustmilieus, met name ecosystemen die een belangrijke rol spelen bij de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering, zoals zoutmoerassen en zeegrasbedden; en mariene beschermde gebieden, zoals speciale beschermingszones ingevolge Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (21), speciale beschermingszones ingevolge Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (22), en beschermde mariene zones zoals overeengekomen door de Unie of de betrokken lidstaten in het kader van internationale of regionale overeenkomsten waarbij zij een partij zijn.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen