Art. 6 Richtlijn 2013/30/EU, Offshore olie- en gasactiviteiten in vergunningsgebieden

Richtlijn 2013/30/EU

1. De lidstaten zorgen ervoor dat productie-installaties en verbonden infrastructuur uitsluitend in vergunningsgebieden worden geëxploiteerd en uitsluitend door exploitanten die daartoe zijn aangesteld overeenkomstig artikel 4, lid 4.

2. De lidstaten eisen van de vergunninghouder dat hij erop toeziet dat de exploitant in staat is om te voldoen aan de eisen voor de specifieke activiteiten in het kader van de vergunning.

3. De lidstaten eisen dat de vergunninghouder voor de duur van de offshore olie- en gasactiviteiten alle redelijke maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de exploitant aan de eisen voldoet, zijn taken uitvoert en zijn plichten nakomt zoals bepaald in deze richtlijn.

4. Indien de bevoegde autoriteit vaststelt dat de exploitant niet meer bekwaam is om aan de relevante eisen van deze richtlijn te voldoen, wordt de vergunningverlenende autoriteit daarvan op de hoogte gebracht. Vervolgens stelt de vergunningverlenende autoriteit de vergunninghouder hiervan op de hoogte en de vergunninghouder neemt de verantwoordelijkheid voor het nakomen van de betrokken plichten op zich en doet aan de vergunningverlenende autoriteit terstond een voorstel voor een vervangende exploitant.

5. De lidstaten zorgen ervoor dat niet met activiteiten in verband met productie- en niet-productie-installaties wordt begonnen of dat deze niet worden voortgezet alvorens het rapport inzake grote gevaren is aanvaard door de bevoegde autoriteit, overeenkomstig deze richtlijn.

6. De lidstaten zorgen ervoor dat niet met boorputactiviteiten of gecombineerde activiteiten wordt begonnen of dat deze niet worden voortgezet alvorens het rapport inzake grote gevaren voor de betrokken installaties is aanvaard overeenkomstig deze richtlijn. Bovendien mag er met dergelijke activiteiten niet worden begonnen en mogen zij niet worden voortgezet zolang er geen kennisgeving van boorputactiviteiten of kennisgeving van gecombineerde activiteiten aan de bevoegde autoriteit is voorgelegd, overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder respectievelijk h) of i), of indien de bevoegde autoriteit bezwaren heeft bij de inhoud van de kennisgeving.

7. De lidstaten zorgen ervoor dat een veiligheidszone wordt ingesteld rond een installatie en dat het verboden is voor schepen om die veiligheidszone binnen te varen of daar te blijven.

Dit verbod geldt echter niet voor een schip dat de veiligheidszone binnenvaart of daar blijft:

a) in verband met de aanleg, de inspectie, het testen, de reparatie, het onderhoud, de verandering, vernieuwing of verwijdering van onderzeese kabels of pijpleidingen in of in de nabijheid van die veiligheidszone;

b) om diensten te verlenen voor, personen of goederen te vervoeren van of naar, alle installaties in die veiligheidszone;

c) onder het gezag van de lidstaat inspectie te verrichten aan en op een installatie in de veiligheidszone;

d) met het oog op het redden van levens of eigendommen, of het doen van pogingen daartoe;

e) gedwongen door de weersomstandigheden, of

f) wanneer het in nood verkeert, of

g) indien het de toestemming heeft van de exploitant, de eigenaar of de lidstaat waarin de veiligheidszone zich bevindt.

8. De lidstaten stellen een mechanisme in voor effectieve participatie in het tripartiete overleg tussen de bevoegde autoriteit, de exploitanten en eigenaars en werknemersorganisaties bij het formuleren van normen en beleid in verband met de voorkoming van zware ongevallen.

Vorige artikelen

Volgende artikelen