Art. 2 Richtlijn 2013/30/EU, Definities

Richtlijn 2013/30/EU

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. „zwaar ongeval”: met betrekking tot een installatie of verbonden infrastructuur:

a) een incident met daarbij een explosie, brand of verlies van controle over de boorput; of lekkage van olie, gas of gevaarlijke stoffen, waarbij sprake is van of een aanzienlijke kans bestaat op slachtoffers of ernstig lichamelijk letsel;

b) een incident dat tot ernstige schade aan de installatie of de verbonden infrastructuur leidt, waarbij sprake is van of een aanzienlijke kans bestaat op slachtoffers of ernstig lichamelijk letsel;

c) elk ander incident leidend tot de dood of ernstige verwonding van vijf of meer personen die aanwezig zijn op de offshore-installatie waar het gevaar zijn oorsprong vindt of die betrokken zijn bij een offshore olie- of gasactiviteit in verband met de installatie of de verbonden infrastructuur, of

d) ieder zwaar milieu-incident dat voortvloeit uit de incidenten als bedoeld onder a), b) en c).

Met het oog op het vaststellen of een incident een groot ongeval vormt als bedoeld onder a), b) of d), wordt een installatie die normaliter onbemand is, beschouwd als een bemande installatie;

2. „offshore”: in de territoriale wateren van de lidstaten, de exclusieve economische zones of het continentale plat in de zin van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee;

3. „offshore olie- en gasactiviteiten”: alle activiteiten met betrekking tot installaties of verbonden infrastructuur, onder meer het ontwerp, de planning, de bouw, de exploitatie en de buitengebruikstelling ervan, die verband houden met de exploratie en de productie van olie of gas, maar met uitzondering van de overbrenging van olie en gas van de ene kust naar de andere;

4. „risico”: de combinatie van de waarschijnlijkheid van een gebeurtenis en de gevolgen van de gebeurtenis;

5. „exploitant” een entiteit die door de vergunninghouder of de vergunningverlenende autoriteit is aangeduid om offshore olie- en gasactiviteiten uit te voeren, waaronder het plannen en uitvoeren van boorputactiviteiten of het beheren en controleren van productieactiviteiten;

6. „geschikt”: goed of volledig gepast, mede gelet op de criteria evenredige inspanning en kosten, voor een bepaalde eis of situatie, gebaseerd op objectief bewijsmateriaal en aangetoond aan de hand van een analyse of vergelijking met geschikte normen of andere oplossingen die in vergelijkbare situaties door andere autoriteiten of de sector worden gebruikt;

7. „entiteit”: iedere natuurlijke persoon, rechtspersoon of groepering van deze personen;

8. „aanvaardbaar” met betrekking tot een risico: een risiconiveau waarbij de tijd, kosten of inspanningen voor een verdere beperking ervan zwaar onevenredig zouden zijn met het voordeel van een dergelijke beperking. Bij het beoordelen of tijd, kosten en inspanningen zwaar onevenredig zouden zijn met de voordelen van verdere risicoreductie, moeten de tot de beste praktijken behorende risiconiveaus die passen bij de onderneming in aanmerking worden genomen;

9. „vergunning”: toestemming om offshore olie- en gasactiviteiten overeenkomstig Richtlijn 94/22/EG uit te voeren;

10. „vergunningsgebied”: het geografisch gebied dat onder de vergunning valt;

11. „vergunninghouder”: de houder of gezamenlijke houders van een vergunning;

12. „aannemer”: elke entiteit die door de exploitant of de eigenaar is gecontracteerd om namens hem specifieke taken uit te voeren;

13. „vergunningverlenende autoriteit”: de overheidsinstantie die bevoegd is een vergunning te verlenen en/of het gebruik van vergunningen als omschreven in Richtlijn 94/22/EG te controleren;

14. „bevoegde autoriteit”: de overheidsinstantie die aangesteld is op grond van deze richtlijn en belast is met de haar krachtens deze richtlijn opgedragen taken. De bevoegde autoriteit kan uit een of meer overheidsorganen bestaan;

15. „exploratie”: het boren op vindplaatsen en alle daarmee verband houdende offshore olie- en gasactiviteiten die noodzakelijk zijn voordat met de productieactiviteiten wordt begonnen;

16. „productie”: de offshorewinning van olie en gas uit de ondergrondse lagen van het vergunningsgebied, met inbegrip van de offshoreverwerking van olie en gas, alsmede het vervoer ervan via verbonden infrastructuur;

17. „niet-productie-installatie”: een installatie, niet zijnde een installatie die wordt gebruikt voor de productie van olie en gas;

18. „publiek”: één of meer entiteiten en, overeenkomstig de nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen;

19. „installatie”: een statische vaste of mobiele voorzieninginrichting, of een combinatie van voorzieningeninrichtingen die permanent onderling zijn verbonden door bruggen of andere structuren en die worden gebruikt voor offshore olie- en gasactiviteiten of in het kader van zulke dergelijke activiteiten. Installaties omvatten mobiele offshoreboorinstallaties enkel wanneer zij in offshorewateren verankerd liggen met het oog op boringen, productie of andere activiteiten die verband houden met offshore olie- en gasactiviteiten;

20. „productie-installatie”: een installatie die wordt gebruikt voor de productie;

21. „verbonden infrastructuur”: infrastructuur binnen de veiligheidszone of een nabijgelegen zone op grotere afstand van de installatie die ter beschikking staat van de lidstaat:

a) alle boorputten en de structuren bijbehorende constructies, het toebehoren en de apparaten die daaraan gekoppeld zijn en die zijn aangesloten op de offshore-installatie;

b) alle apparaten of werken op de hoofdstructuurconstructie van de offshore-installatie of apparaten of werken die eraan zijn bevestigd;

c) alle pijplijnleidingapparaten of werken die op de installatie zijn aangesloten;

22. „aanvaarding”: in verband met het rapport inzake grote gevaren, de schriftelijke overbrenging door de bevoegde autoriteit aan de exploitant of de eigenaar van het feit dat het rapport, indien uitgevoerd volgens de daarin vervatte voorschriften, voldoet aan de vereisten van deze richtlijn. Aanvaarding betekent niet dat er verantwoordelijkheid voor de beheersing van grote gevaren wordt overgedragen aan de bevoegde autoriteit;

23. „groot gevaar”: een situatie die in een zwaar ongeval kan uitmonden;

24. „boorputactiviteit”: elke activiteit met betrekking tot een boorput waarbij per ongeluk stoffen kunnen vrijkomen, wat mogelijk tot een zwaar ongeval kan leiden, zoals het boren van een boorput voor offshore olie- en gasactiviteiten, het herstel of de aanpassing van een boorput, de opschorting van de boorputactiviteiten of het definitief verlaten van een boorput;

25. „gecombineerde activiteit”: een activiteit die wordt uitgevoerd vanaf een installatie samen met een andere installatie of andere installaties ten behoeve van aan de andere installatie(s) gerelateerde doeleinden, waarbij de risico’s voor de veiligheid van personen of de bescherming van het milieu op één of alle installaties aanzienlijk worden beïnvloed;

26. „veiligheidszone”: het gebied binnen een afstand van 500 m van enig onderdeel van de installatie, ingericht door de lidstaat;

27. „eigenaar van de niet-productie-installatie”: een entiteit die wettelijk bevoegd is om de werking van een niet-productie-installatie te beheren;

28. „intern rampenplan”: een plan dat is opgesteld door de exploitanten of de eigenaars overeenkomstig de eisen van deze richtlijn, met betrekking tot de maatregelen om escalatie van een zwaar ongeval in verband met offshore olie- en gasactiviteiten te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken;

29. „onafhankelijke verificatie”: een beoordeling en bevestiging van de geldigheid van bepaalde schriftelijke verklaringen door een entiteit of organisatorisch onderdeel van de exploitant of eigenaar die niet onder de controle of invloed valt van de entiteit die of het organisatorisch onderdeel dat de verklaringen gebruikt;

30. „essentiële wijziging”:

a) in het geval van een rapport inzake grote gevaren: een wijziging in de grondslagen op basis waarvan het oorspronkelijke rapport is aanvaard, onder meer fysieke wijzigingen, nieuwe kennis of technologie en veranderingen in het beheer van de activiteiten;

b) in het geval van een kennisgeving van boorputactiviteiten of gecombineerde activiteiten, een wijziging in de grondslagen op basis waarvan de oorspronkelijke kennisgeving is ingediend, onder meer fysieke wijzigingen, vervanging van een installatie door een andere, beschikbaarheid van nieuwe kennis of technologie en veranderingen in het beheer van de activiteiten;

31. „begin van activiteiten”: het tijdstip waarop de installatie of de ermee verbonden infrastructuur voor het eerst wordt gebruikt voor de activiteiten waarvoor ze bedoeld is;

32. „doeltreffendheid van de respons op olielekken”: de doeltreffendheid van de lekkagebestrijdingssystemen bij het reageren op een olielek, aan de hand van een analyse van de frequentie, de duur en het tijdstip van de milieuomstandigheden die een bestrijding zouden verhinderen. De beoordeling van de doeltreffendheid van de respons op olielekken zal worden uitgedrukt als percentage van de tijd waarin niet van dergelijke omstandigheden sprake is en een omschrijving omvatten van de operationele beperkingen voor de betreffende installaties als gevolg van die beoordeling;

33. „veiligheids- en milieukritische elementen”: onderdelen van een installatie en van uitrusting, met inbegrip van computerprogramma’s, die tot doel hebben zware ongevallen te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken, of waarvan het uitvallen een zwaar ongeval zou kunnen veroorzaken of substantieel zou kunnen bijdragen tot het ontstaan van zulk ongeval;

34. „tripartiet overleg”: formele regeling om dialoog en samenwerking mogelijk te maken tussen de bevoegde autoriteit, de exploitanten en eigenaars van niet-productie-installaties en werknemersorganisaties;

35. „sector”: entiteiten die rechtstreeks betrokken zijn bij offshore olie- en gasactiviteiten die onder deze richtlijn vallen of waarvan de activiteiten nauw samenhangen met dergelijke activiteiten;

36. „extern rampenplan”: lokale, nationale of regionale strategie om escalatie van een zwaar ongeval met betrekking tot offshore olie- en gasactiviteiten te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken met behulp van alle beschikbare middelen van de exploitant als beschreven in bestaande interne rampenplannen en aanvullende middelen die door de lidstaten beschikbaar worden gesteld;

37. „zwaar milieu-incident”: een ongeval dat leidt of naar verwachting zal leiden tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu, zoals bedoeld in Richtlijn 2004/35/EG.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen