Art. 40 Verordening (EG) nr. 810/2009, Vormen van samenwerking
1. De organisatie van de aanvraagprocedures valt onder de bevoegdheid van de respectieve lidstaten. In beginsel worden aanvragen bij een consulaat van een lidstaat ingediend.
2. De lidstaten:
a) voorzien hun consulaten en hun autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de afgifte van visa aan de grens, van de voor de verzameling van biometrische kenmerken vereiste benodigdheden, en voorzien de kantoren van hun honorair consuls van de daartoe vereiste benodigdheden indien zij van hun diensten gebruikmaken om biometrische kenmerken te verzamelen overeenkomstig artikel 42, en/of
b) werken in het kader van de plaatselijke Schengensamenwerking of via andere passende contacten samen met een of meer andere lidstaten, in de vorm van beperkte vertegenwoordiging, co-locatie of een gemeenschappelijk aanvraagcentrum, overeenkomstig artikel 41.
3. In bijzondere omstandigheden of om redenen in verband met de plaatselijke situatie, bijvoorbeeld wanneer:
a) het grote aantal aanvragers het niet toelaat om het in ontvangst nemen van aanvragen en van gegevens tijdig en in behoorlijke omstandigheden te organiseren, of
b) het niet mogelijk is op een andere wijze te zorgen voor een goede territoriale dekking van het betrokken derde land,
en wanneer in lid 2, onder b), bedoelde vormen van samenwerking niet geschikt blijken te zijn voor de betrokken lidstaat, mag een lidstaat, in laatste instantie, met een externe dienstverlener samenwerken, overeenkomstig artikel 43.
4. Onverminderd het recht om de persoonlijke verschijning van de aanvrager te verlangen overeenkomstig artikel 21, lid 8, mag de gekozen regeling er niet toe leiden dat de aanvrager op meer dan één locatie persoonlijk moet verschijnen om een aanvraag in te dienen.
5. De lidstaten dienen de Commissie in kennis te stellen van de wijze waarop zij voornemens zijn de ontvangst en behandeling van aanvragen op elke consulaire vestiging te organiseren.