Art. 41 Verordening (EG) nr. 810/2009, Samenwerking tussen de lidstaten
1. Wanneer voor het delen van een co-locatie wordt gekozen, handelen de personeelsleden van de consulaten van een of meer lidstaten de procedure in verband met aan hen gerichte aanvragen (met inbegrip van het verzamelen van de biometrische kenmerken) af in het consulaat van een andere lidstaat en maken zij gebruik van de apparatuur van die lidstaat. De betrokken lidstaten stellen in overleg de duur en de voorwaarden voor beëindiging van de co-locatie vast, alsmede het aandeel van de visumleges dat wordt ontvangen door de lidstaat waarvan het consulaat wordt gebruikt.
2. Wanneer gemeenschappelijke aanvraagcentra worden opgezet, worden de personeelsleden van de consulaten van twee of meer lidstaten met het oog op de inontvangstneming van de aanvragen (met inbegrip van de biometrische kenmerken) samen in een gebouw ondergebracht. De aanvragers worden doorverwezen naar de lidstaat die bevoegd is hun aanvraag te behandelen en daarover een beslissing te nemen. De lidstaten stellen in onderling overleg vast hoe lang deze samenwerking zal duren, welke voorwaarden gelden voor de beëindiging ervan en hoe de kosten over de deelnemende lidstaten worden verdeeld. Eén lidstaat is verantwoordelijk voor overeenkomsten met betrekking tot facilitaire aangelegenheden en diplomatieke betrekkingen met het gastland.
3. In het geval dat de samenwerking met andere lidstaten wordt beëindigd, zorgen de lidstaten ervoor dat de continuïteit van de volledige dienstverlening is gewaarborgd.