Art. 22 Richtlijn 2006/49/EG

Richtlijn 2006/49/EG

1. De bevoegde autoriteiten die belast zijn met de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis op onder artikel 2 vallende groepen, kunnen per geval ontheffing van de kapitaalvereisten op geconsolideerde basis verlenen, mits:

a) elke EU-beleggingsonderneming in een dergelijke groep de berekening van eigen vermogen van artikel 16 hanteert;

b) elke beleggingsonderneming in een dergelijke groep tot de in artikel 20, leden 2 en 3, genoemde categorieën behoort;

c) elke EU-beleggingsonderneming in een dergelijke groep op niet-geconsolideerde basis aan de bij de artikelen 18 en 20 gestelde vereisten voldoet en alle latente verplichtingen ten aanzien van beleggingsondernemingen, financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, die normaliter geconsolideerd zouden worden, in mindering brengt op het eigen vermogen; en

d) elke financiële moederholding van een beleggingsonderneming in een dergelijke groep een eigen vermogen heeft — gedefinieerd als de som van de punten a) tot en met h) van artikel 57 van Richtlijn 2006/48/EG — dat ten minste gelijk is aan het totaal van de volledige boekwaarde van alle in artikel 57 van die richtlijn genoemde deelnemingen in, achtergestelde vorderingen op en instrumenten van beleggingsondernemingen, financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, die normaliter geconsolideerd zouden worden, plus het totaal van alle latente verplichtingen ten aanzien van beleggingsondernemingen, financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, die normaliter geconsolideerd zouden worden.

Elke EU-beleggingsonderneming die aan de criteria van de eerste alinea voldoet, beschikt over systemen om de bronnen van eigen en vreemd vermogen van alle tot de groep behorende financiële holdings, beleggingsondernemingen, financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, te bewaken en te beheersen.

2. In afwijking van het bepaalde in lid 1, kunnen de bevoegde autoriteiten toestaan dat financiële moederholdings in een lidstaat van een beleggingsonderneming in een dergelijke groep een waarde in aanmerking nemen die lager is dan de overeenkomstig lid 1, onder d), berekende waarde, maar die in geen geval minder bedraagt dan het totaal van de bij de artikelen 18 en 20 gestelde vereisten op niet-geconsolideerde basis voor beleggingsondernemingen, financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, die normaliter geconsolideerd zouden worden, plus het totaal van alle latente verplichtingen ten aanzien van beleggingsondernemingen, financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, die normaliter geconsolideerd zouden worden. Voor de toepassing van dit lid dienen beleggingsondernemingen uit derde landen, financiële instellingen, vermogensbeheerders en de ondernemingen die nevendiensten verrichten, aan een theoretisch kapitaalvereiste te worden onderworpen.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen