Art. 57 Richtlijn 2006/48/EG

Richtlijn 2006/48/EG

Onverminderd de in artikel 66 vastgestelde limieten bestaat het niet-geconsolideerde eigen vermogen van kredietinstellingen uit de hierna genoemde bestanddelen:

a) gestort kapitaal in de zin van artikel 22 van Richtlijn 86/635/EEG plus agiorekening, maar zonder de cumulatief preferente aandelen;

b) reserves in de zin van artikel 23 van Richtlijn 86/635/EEG en de resultaten van het voorgaande jaar die zijn overgedragen door bestemming van het definitieve resultaat;

c) de fondsen voor algemene bankrisico's in de zin van artikel 38 van Richtlijn 86/635/EEG;

d) herwaarderingsreserves in de zin van artikel 33 van Richtlijn 78/660/EEG;

e) waardecorrecties in de zin van artikel 37, lid 2, van Richtlijn 86/635/EEG;

f) andere bestanddelen in de zin van artikel 63;

g) de in artikel 64, lid 1, bedoelde aansprakelijkheidsverplichtingen van leden van kredietinstellingen met de rechtsvorm van coöperatieve verenigingen en de hoofdelijke verplichtingen van de leningnemers van bepaalde, in de vorm van een fonds georganiseerde instellingen; en

h) cumulatief preferente aandelen met een vaste looptijd alsmede achtergestelde leningen in de zin van artikel 64, lid 3.

Zoals bepaald in artikel 66 worden de volgende bestanddelen afgetrokken:

i) het bezit aan eigen aandelen van de kredietinstelling, tegen boekwaarde;

j) immateriële activa in de zin van artikel 4 („Activa”), punt 9, van Richtlijn 86/635/EEG;

k) negatieve resultaten van enige betekenis van het lopende boekjaar;

l) deelnemingen in andere kredietinstellingen en in financiële instellingen ten belope van meer dan 10 % van het kapitaal van die instellingen;

m) achtergestelde schuldvorderingen en de in artikel 63 en artikel 64, lid 3, bedoelde, in het bezit van de kredietinstelling zijnde schuldtitels uitgegeven door kredietinstellingen en financiële instellingen waarin zij voor meer dan 10 % van hun kapitaal deelneemt;

n) deelnemingen in andere kredietinstellingen en andere financiële instellingen ten belope van 10 % of minder van het kapitaal van die instellingen, alsook achtergestelde schuldvorderingen en de in artikel 63 en artikel 64, lid 3, bedoelde, in het bezit van de kredietinstelling zijnde schuldtitels, uitgegeven door andere dan de onder l) en m) bedoelde kredietinstellingen en andere financiële instellingen, voor het bedrag van het totaal van deze deelnemingen, achtergestelde schuldvorderingen en schuldtitels dat 10 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling, berekend vóór de aftrek van de bestanddelen genoemd onder l) tot en met p) te boven gaat;

o) deelnemingen in de zin van artikel 4, punt 10, die een kredietinstelling houdt in:

i) verzekeringsondernemingen in de zin van artikel 6 van Richtlijn 73/239/EEG (19), artikel 4 van Richtlijn 2002/83/EG (20) of artikel 1, onder b), van Richtlijn 98/78/EG (21);

ii) herverzekeringsondernemingen in de zin van artikel 1, onder c), van Richtlijn 98/78/EG; of

iii) herverzekeringsondernemingen in de zin van artikel 1, onder i), van Richtlijn 98/78/EG;

p) elk van de volgende bestanddelen die de kredietinstelling houdt jegens de onder o) omschreven entiteiten waarin zij een deelneming heeft:

i) de in artikel 16, lid 3, van Richtlijn 73/239/EEG bedoelde instrumenten; en

ii) de in artikel 27, lid 3, van Richtlijn 2002/83/EG bedoelde instrumenten;

q) bij kredietinstellingen die de risicogewogen posten op basis van afdeling 3, onderafdeling 2, berekenen, de negatieve bedragen die de uitkomst zijn van de berekening op basis van bijlage VII, deel 1, punt 36, en de verwachte verliesposten zoals berekend op basis van bijlage VII, deel 1, punten 32 en 33; en

r) het bedrag aan vorderingen bij securitisatieposities die overeenkomstig bijlage IX, deel 4, een risicogewicht van 1250 % krijgen, zoals berekend op de aldaar aangegeven wijze.

Voor de toepassing van punt b) kunnen de lidstaten alleen toestaan dat tussentijdse positieve resultaten worden meegeteld voordat een formeel besluit is genomen, wanneer zij zijn geverifieerd door met de controle van de rekeningen belaste personen en wanneer ten genoegen van de bevoegde autoriteiten is aangetoond dat het bedrag daarvan is geraamd overeenkomstig de beginselen, neergelegd in Richtlijn 86/635/EEG, en netto is, na aftrek van alle te verwachten lasten en van voorzieningen voor dividenden.

Bij een kredietinstelling die een initiator van een securitisatie is, worden de nettowinsten die het resultaat zijn van de kapitalisatie van toekomstige inkomsten uit de gesecuritiseerde activa en die als kredietverbetering voor de securitisatieposities dienen, niet als bestanddeel als bedoeld onder b) beschouwd.