Art. 25, Vervolgactie bij inbreuken
1. Wanneer de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid niet zijn nageleefd zien de lidstaten erop toe dat tegen de verantwoordelijke natuurlijke personen of rechtspersonen passende maatregelen worden getroffen waaronder administratieve maatregelen of strafvervolging overeenkomstig hun nationale recht.
2. De overeenkomstig lid 1 ingeleide procedures moeten er, conform de terzake doende bepalingen van de nationale wetgeving, toe kunnen leiden dat de verantwoordelijken het economische voordeel van de inbreuken daadwerkelijk verliezen en dat resultaten behaald worden die in verhouding staan tot de ernst van die inbreuken, zodat verdere overtredingen van dezelfde aard effectief worden ontraden.
3. De sancties die voortvloeien uit de in lid 2 bedoelde procedures, kunnen, naargelang de ernst van de overtreding, met name omvatten:
a) boetes;
b) inbeslagneming van verboden vistuig en verboden vangsten;
c) conservatoir beslag op het vaartuig;
d) tijdelijke stillegging van het vaartuig;
e) schorsing van de vergunning;
f) intrekking van de vergunning.
4. Onverminderd de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde verplichtingen, stelt de Raad op basis van de opsomming in lid 3, een lijst van maatregelen op die door de lidstaten moeten worden toegepast ten aanzien van ernstige inbreuken zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 1447/1999. Die lijst doet geen afbreuk aan de keuze van de lidstaten om die maatregelen, overeenkomstig hun nationale wetgeving, uit te voeren door middel van administratieve maatregelen of strafvervolging, zoals bedoeld in artikel 1.
5. De lidstaten nemen onmiddellijke maatregelen om te voorkomen dat vaartuigen of natuurlijke of rechtspersonen die op heterdaad worden betrapt bij een ernstige inbreuk zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 1447/1999, daarmee doorgaan.