Art. 28 Verordening (EG) nr. 2371/2002, Samenwerking en coördinatie

Verordening (EG) nr. 2371/2002

1. De lidstaten werken met elkaar en met derde landen samen om de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid te verzekeren. Hiertoe verlenen de lidstaten andere lidstaten en derde landen de bijstand die voor het verzekeren van de naleving van die regels nodig is.

2. In het geval van controle en inspectie met betrekking tot grensoverschrijdende visserijactiviteiten zorgen de lidstaten ervoor dat hun acties in het kader van dit hoofdstuk worden gecoördineerd. Hiertoe wisselen de lidstaten inspecteurs uit.

3. Onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de kuststaat mogen de lidstaten in alle communautaire wateren buiten de wateren die onder de soevereiniteit van een andere lidstaat vallen, communautaire vissersvaartuigen die hun vlag voeren inspecteren.

De lidstaten mogen in alle communautaire wateren buiten de wateren die onder hun soevereiniteit ten aanzien van vissersvaartuigen vallen inspecties uitvoeren volgens de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid, maar alleen

a) na toestemming van de betrokken kust-lidstaat, of

b) als er een specifiek toezichtsprogramma is aangenomen overeenkomstig artikel 34 quater van Verordening (EG) nr. 2847/93 van de Raad.

De lidstaten mogen in internationale wateren ook communautaire vissersvaartuigen inspecteren die de vlag van een andere lidstaat voeren.

In alle andere dan de in dit lid bedoelde gevallen kunnen de lidstaten elkaar machtigen inspecties uit te voeren volgens de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

4. Op basis van aan de Commissie meegedeelde besluiten van de lidstaten over de aanstelling van personen of het inzetten van middelen stelt de Commissie volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde procedure een lijst op van communautaire inspecteurs, inspectievaartuigen en inspectievliegtuigen en andere inspectiemiddelen die zijn gemachtigd om inspecties overeenkomstig dit hoofdstuk uit te voeren in communautaire wateren en op communautaire vissersvaartuigen.

5. Door communautaire inspecteurs of inspecteurs van een andere lidstaat of inspecteurs van de Commissie opgestelde inspectie- en bewakingsverslagen vormen in alle lidstaten toelaatbaar bewijsmateriaal bij administratieve of gerechtelijke procedures. Voor de vaststelling van feiten worden zij op dezelfde voet behandeld als inspectie- en bewakingsverslagen van de lidstaten.

6. Nadere regels voor de toepassing van dit artikel kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde procedure.

Lid 3 en lid 4 van dit artikel zijn slechts toepasselijk nadat nadere bepalingen voor de uitvoering zijn vastgesteld.