Art. 23 Verordening (EG) nr. 2371/2002, Verplichtingen van de lidstaten
Verordening (EG) nr. 2371/2002
1. Tenzij in communautaire regelgeving anders is bepaald, dragen de lidstaten zorg voor een doeltreffende controle, inspectie en handhaving ten aanzien van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid.
2. De lidstaten controleren de activiteiten die binnen het toepassingsgebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid op hun grondgebied of in de wateren onder hun soevereiniteit of jurisdictie worden uitgevoerd. Ten aanzien van de communautaire vissersvaartuigen die hun vlag voeren, en onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat, hun onderdanen oefenen zij ook controle uit op de toegang tot de wateren en hulpbronnen en de visserijactiviteiten buiten de communautaire wateren. Zij zijn verantwoordelijk voor het plaatsen van waarnemers aan boord van vissersvaartuigen en voor het nemen van passende besluiten, onder meer het verbieden van visserijactiviteiten.
3. De lidstaten treffen de maatregelen, wijzen de financiële en personele middelen toe en zetten de administratieve en technische structuren op die voor een doeltreffende controle, inspectie en handhaving noodzakelijk zijn, met inbegrip van satellietvolgsystemen. De Raad zal in 2004 een besluit nemen over de verplichting om een systeem voor teledetectie in te stellen. De lidstaten zullen in samenwerking met de Commissie voor 1 juni 2004 proefprojecten uitvoeren ter beoordeling van de te gebruiken technologie. In elke lidstaat zal één enkele autoriteit verantwoordelijk zijn voor de coördinatie van het verzamelen en verifiëren van de informatie over visserijactiviteiten en voor het rapporteren aan en samenwerken met de Commissie.
4. Wanneer de Commissie vaststelt dat een lidstaat de hem toegewezen vangstmogelijkheden heeft overschreden, verlaagt zij de toekomstige vangstmogelijkheden van die lidstaat.
Indien een lidstaat als rechtstreeks gevolg van het feit dat een andere lidstaat de hem toegewezen quota heeft overschreden, zijn eigen vangstmogelijkheden niet volledig heeft kunnen benutten, mogen vangstmogelijkheden die gelijkwaardig zijn aan die welke uit hoofde van lid 1 zijn afgetrokken, volledig of gedeeltelijk aan die lidstaat worden toegewezen. Over die toewijzing wordt beslist met inachtneming van het belang de bestanden in stand te houden en het belang van vergoeding van de beide betrokken lidstaten.
De Commissie neemt besluiten overeenkomstig de procedure van artikel 30, lid 2.
5. Nadere bepalingen voor de uitvoering van dit artikel kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde procedure, onder meer met betrekking tot de aanwijzing door de lidstaten van de in lid 3 van dit artikel bedoelde autoriteit, en de voorschriften voor het inzetten van waarnemers, hun verantwoordelijkheid, taken en kosten.