Art. 6 Verordening (EG) nr. 451/2000, Indiening van de dossiers door de kennisgevers

Verordening (EG) nr. 451/2000

1. Binnen de in artikel 5, lid 4, onder c), bedoelde termijn moeten voor elke werkzame stof de kennisgevers die zijn genoemd in de in dat artikel bedoelde verordening, het in lid 3 bedoelde volledige dossier met inbegrip van het in lid 2 bedoelde beknopte dossier individueel of collectief indienen bij de aangewezen autoriteit van de voor de betrokken werkzame stof als rapporteur optredende lidstaat.

Wanneer voor een stof in de in artikel 5 bedoelde verordening verscheidene kennisgevingen zijn vermeld, stellen de betrokken kennisgevers alles in het werk wat redelijkerwijs mogelijk is om de in de eerste alinea bedoelde dossiers collectief in te dienen.

In een dossier dat niet door alle betrokken kennisgevers gezamenlijk wordt ingediend, moet melding worden gemaakt van de geleverde inspanningen en van de redenen waarom sommige producenten niet hebben meegewerkt.

2. Het beknopte dossier omvat:

a) een kopie van de kennisgeving; in geval van een gezamenlijke aanvraag door verscheidene producenten, een kopie van de overeenkomstig artikel 4 gedane kennisgevingen en de naam van de persoon die de betrokken producenten hebben aangewezen als verantwoordelijk voor het gezamenlijke dossier en de behandeling ervan overeenkomstig deze verordening;

b) een beperkte reeks van representatieve gebruiksdoeleinden van de werkzame stof waarvoor de kennisgever aan de hand van de meegedeelde gegevens moet aantonen dat voor één of meer preparaten kan worden voldaan aan de in de richtlijn gestelde eisen ten aanzien van de in artikel 5 van de richtlijn bedoelde criteria;

c) - voor elk punt van bijlage II bij de richtlijn, de samenvattingen en resultaten van studies en proeven, de naam van de persoon die of het instituut dat de proeven heeft uitgevoerd;

- dezelfde informatie voor elk punt van bijlage III bij de richtlijn dat relevant is voor de toetsing aan de in artikel 5 van de richtlijn vermelde criteria voor één of meer preparaten die representatief zijn voor de onder b) bedoelde gebruiksdoeleinden, waarbij ermee rekening moet worden gehouden dat leemten in de overeenkomstig bijlage II bij de richtlijn te verstrekken informatie die voortvloeien uit de voorgestelde beperkte reeks representatieve gebruiksdoeleinden van de werkzame stof, kunnen leiden tot beperkingen bij de opneming van die stof in bijlage I bij de richtlijn;

- voor nog niet volledig beëindigde studies, het bewijs dat de opdracht tot uitvoering van deze studies uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening was gegeven, met een verbintenis dat deze studies uiterlijk binnen twaalf maanden na de in artikel 5, lid 4, onder c), bedoelde termijn zullen worden ingediend;

d) een controle door de kennisgever op de volledigheid van het dossier.

3. Het volledige dossier bevat op materiële wijze de afzonderlijke test- en studieverslagen betreffende alle in lid 2, onder c), bedoelde informatie of de protocollen en de verbintenissen als bedoeld in lid 2, onder c), indien de werkzaamheden in uitvoering zijn.

4. De lidstaten bepalen in hoeveel exemplaren en in welke vorm de kennisgevers de in de leden 2 en 3 bedoelde dossiers moeten indienen. Bij de bepaling van de vorm van het dossier houden de lidstaten in de hoogst mogelijke mate rekening met de aanbevelingen van de Commissie in het kader van het Permanent Plantenziektekundig Comité.

5. Wanneer voor een werkzame stof de in lid 1 bedoelde dossiers niet binnen de in artikel 5, lid 4, onder c), bedoelde termijn zijn ingediend, deelt de als rapporteur optredende lidstaat dit binnen drie maanden aan de Commissie mee onder opgave van de door de kennisgevers aangevoerde redenen.

6. Op basis van het in lid 5 bedoelde verslag van de als rapporteur optredende lidstaat wordt uitsluitend indien is aangetoond dat de vertraging door overmacht is veroorzaakt, in de in artikel 5 bedoelde verordening volgens de procedure van artikel 19 van de richtlijn een nieuwe termijn vastgesteld voor de indiening van een dossier dat aan de in de leden 2 en 3 gestelde eisen voldoet.

7. Na dit onderzoek besluit de Commissie, overeenkomstig artikel 8, lid 2, vierde alinea, van de richtlijn, een werkzame stof waarvoor binnen de gestelde termijn geen kennisgeving of geen dossier is ingediend, niet in bijlage I bij de richtlijn op te nemen, onder opgave van de redenen voor de niet-opneming. De lidstaten trekken uiterlijk op 25 juli 2003 de toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten, in.

Vorige artikelen

Volgende artikelen