Art. 10 Verordening (EG) nr. 451/2000, Kennisgeving
1. Producenten die een in bijlage II bij deze verordening bedoelde werkzame stof in bijlage I bij de richtlijn opgenomen wensen te zien, geven de in bijlage VII bij deze verordening genoemde instantie daarvan kennis. De Commissie zal regelmatig nagaan hoe de in bijlage VII bij deze verordening omschreven taken die aan de in die bijlage genoemde instantie zijn opgedragen, worden uitgevoerd. Volgens de procedure van artikel 19 van de richtlijn kan worden besloten een andere instantie aan te wijzen, zo mocht blijken dat de taken niet naar behoren worden verricht.
2. De kennisgevingen voor elke werkzame stof afzonderlijk worden als volgt ingediend:
a) binnen drie maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening, een eerste kennisgeving overeenkomstig afdeling 1 van het model voor de kennisgeving dat is opgenomen in bijlage IV, deel 2, bij deze verordening,
en
b) binnen negen maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening, een tweede kennisgeving overeenkomstig de afdelingen 1 en 2 van het model voor de kennisgeving dat is opgenomen in, bijlag IV, deel 2, bij deze verordening, met inbegrip van een schriftelijke verbintenis om een volledig dossier te zullen indienen.
3. Gedetailleerde bepalingen betreffende de indiening van dergelijke dossiers, de termijn of termijn(en) voor de indiening ervan en de vergoedingenregeling voor de betrokken werkzame stoffen worden door de Commissie opgenomen in een overeenkomstig artikel 8, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn vast te stellen verordening.
4. Het volledige gegevenspakket moet uiterlijk op 25 mei 2003 worden ingediend. Het volledige gegevenspakket bevat op materiële wijze de afzonderlijke test- en studieverslagen betreffende alle in artikel 6, lid 2, onder c), eerste en tweede streepje, bedoelde informatie. In de in lid 3 bedoelde verordening kan evenwel, in uitzonderlijke gevallen waarin het om langetermijnonderzoek gaat dat naar verwachting niet tegen die datum zal zijn voltooid, een latere datum worden vastgesteld, op voorwaarde dat het volledige gegevenspakket de volgende informatie bevat:
- het bewijs dat de opdrachten voor dat onderzoek zijn gegeven uiterlijk twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening;
- een behoorlijke wetenschappelijke verantwoording;
- het protocol en een voortgangsrapport betreffende het onderzoek.
5. Een producent die voor een in lid 1 bedoelde werkzame stof niet binnen de in lid 2 genoemde termijnen kennisgeving heeft gedaan of van wie de kennisgeving overeenkomstig artikel 11 is afgewezen, zal aan het beoordelingsprogramma alleen collectief mogen deelnemen samen met één of meer kennisgevers voor de werkzame stof van wie de kennisgeving overeenkomstig artikel 11 is aanvaard, en wel door indiening van een gezamenlijk dossier.