Art. 5 Verordening (EG) nr. 451/2000, Onderzoek van de kennisgevingen en verzoek tot indiening van dossiers bij de als rapporteur aangewezen lidstaten

Verordening (EG) nr. 451/2000

1. Voor elke werkzame stof waarvoor een lidstaat als rapporteur is aangewezen, onderzoekt hij de in artikel 4, lid 2, bedoelde kennisgevingen en brengt hij uiterlijk drie maanden na het verstrijken van de in artikel 4, lid 1, bedoelde termijn aan de Commissie verslag uit over de aanvaardbaarheid van de ontvangen kennisgevingen in het licht van de in bijlage V, deel 1, vermelde criteria.

2. De Commissie bezorgt de in lid 1 bedoelde verslagen binnen drie maanden na de ontvangst ervan aan het Comité voor nader onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de betrokken kennisgevingen in het licht van de in bijlage V, deel 1, vermelde criteria.

Na dit onderzoek wordt volgens de procedure van artikel 19 van de richtlijn bij een verordening de lijst vastgesteld van de werkzame stoffen die worden aanvaard voor evaluatie met het oog op de eventuele opneming ervan in bijlage I bij de richtlijn. Alleen werkzame stoffen waarvoor ten minste één kennisgeving overeenkomstig de eerste alinea als aanvaardbaar is aangemerkt, worden in die verordening opgenomen.

3. In de in lid 2 bedoelde lijst kunnen sommige werkzame stoffen die een soortgelijke structuur of soortgelijke chemische eigenschappen bezitten, worden gegroepeerd; indien in de kennisgeving voor een werkzame stof verschillende samenstellingen worden genoemd die verschillende toxicologische eigenschappen of verschillende milieueffecten kunnen hebben, kan elk van deze samenstellingen afzonderlijk in de lijst worden opgenomen.

4. In de in lid 2 bedoelde verordening worden voor elke voor beoordeling aanvaarde werkzame stof de volgende gegevens vermeld:

a) de namen en de adressen van alle kennisgevers die overeenkomstig artikel 4, leden 1 en 2, kennisgevingen hebben gedaan die na het onderzoek ervan overeenkomstig lid 2, eerste alinea, als aanvaardbaar zijn aangemerkt;

b) de naam van de als rapporteur aangewezen lidstaat; dit zal dezelfde lidstaat zijn als die welke in bijlage I is aangewezen, tenzij een gebrek aan evenwicht is gebleken in het aan de onderscheiden lidstaten toegewezen aantal werkzame stoffen;

c) de termijn voor de indiening van de in artikel 6 bedoelde dossiers bij de als rapporteur optredende lidstaat, welke termijn twaalf maanden bedraagt;

d) dezelfde termijn voor de indiening door belanghebbenden bij de als rapporteur optredende lidstaat van relevante informatie die kan bijdragen tot de evaluatie, in het bijzonder ten aanzien van de potentieel gevaarlijke uitwerkingen van de werkzame stof of de residuen ervan op de gezondheid van mens en dier en op het milieu.

5. Vanaf het tijdstip van de vaststelling van de in lid 2 bedoelde verordening geldt dat, indien een lidstaat overweegt actie te ondernemen om een gewasbeschermingsmiddel dat een werkzame stof bevat die is opgenomen in de bij die verordening vastgestelde lijst, uit de markt te nemen of het gebruik ervan aanzienlijk te beperken en indien aan die actie informatie uit de in artikel 6 bedoelde dossiers of uit het in artikel 8 bedoelde verslag ten grondslag ligt, deze lidstaat de Commissie en de overige lidstaten daarvan zo spoedig mogelijk in kennis stelt onder vermelding van de redenen voor de door hem overwogen actie.

6. Wanneer tijdens de in de artikelen 6 en 7 bedoelde beoordeling en evaluatie een gebrek aan evenwicht blijkt in de verantwoordelijkheden die de lidstaten als rapporteur dragen, kan volgens de procedure van artikel 19 van de richtlijn worden besloten een voor een bepaalde werkzame stof oorspronkelijk als rapporteur aangewezen lidstaat te vervangen door een andere lidstaat.

In een dergelijk geval stelt de oorspronkelijk als rapporteur optredende lidstaat de betrokken kennisgevers hiervan in kennis en bezorgt hij alle correspondentie en informatie die hij als rapporteur voor de betrokken werkzame stof heeft ontvangen, aan de lidstaat die als nieuwe rapporteur is aangewezen. De oorspronkelijk als rapporteur optredende lidstaat betaalt de in artikel 12 bedoelde vergoeding met uitzondering van het in artikel 12, lid 2, onder d), bedoelde gedeelte aan de betrokken kennisgevers terug. De als nieuwe rapporteur aangewezen lidstaat verlangt dan van de kennisgevers betaling van de in artikel 12 bedoelde vergoeding met uitzondering van het in artikel 12, lid 2, onder d), bedoelde gedeelte.

7. Wanneer een kennisgever besluit van verdere deelneming aan het werkprogramma voor een werkzame stof af te zien, stelt hij de als rapporteur optredende lidstaat, de Commissie en de overige kennisgevers voor de betrokken stof hiervan terzelfder tijd in kennis onder vermelding van de redenen. In het geval dat een kennisgever van verdere deelneming afziet of niet aan zijn uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen voldoet, worden de in artikel 7 of 8 omschreven procedures voor zijn dossier niet voortgezet.

Wanneer een kennisgever met een andere producent overeenstemming bereikt over zijn vervanging voor de verdere deelneming aan het werkprogramma in het kader van deze verordening, stellen hij en deze andere producent de als rapporteur optredende lidstaat en de Commissie hiervan in kennis door middel van een gemeenschappelijke verklaring waarin zij bevestigen te zijn overeengekomen dat deze andere producent de oorspronkelijke kennisgever zal vervangen voor de vervulling van de in de artikelen 6, 7 en 8 omschreven taken van de kennisgever; zij dragen ervoor zorg dat de overige kennisgevers voor de betrokken stof hiervan terzelfder tijd in kennis worden gesteld. In dit geval kan de andere producent gehouden zijn tot betaling van de vergoedingen die nog verschuldigd zijn volgens de regeling die de als rapporteur optredende lidstaat overeenkomstig artikel 12 heeft ingesteld.

Vorige artikelen

Volgende artikelen