Art. 11 Richtlijn 2000/29/EG
1. Wanneer het op grond van het in artikel 6, leden 1, 3 en 4, voorgeschreven en overeenkomstig artikel 6, lid 5, verrichte onderzoek niet de conclusie toelaat dat aan de aldaar genoemde eisen is voldaan, mag onverminderd het bepaalde in lid 2 van het onderhavige artikel geen plantenpaspoort worden afgegeven.
2. Wanneer in voorkomende gevallen uit de uitslag van het betrokken onderzoek blijkt dat een deel van de planten of plantaardige producten die door de producent worden geteeld, geproduceerd of gebruikt, of die anderszins op zijn bedrijf aanwezig zijn dan wel een deel van het op dat bedrijf gebruikte groeimedium, geen enkel gevaar voor verspreiding van schadelijke organismen kunnen opleveren, is voor dat deel lid 1 niet van toepassing.
3. In de gevallen waarin lid 1 van toepassing is, worden voor de betrokken planten, plantaardige producten of groeimedia naar gelang van het geval één of meer van de volgende officiële maatregelen getroffen:
- passende behandeling, gevolgd door afgifte van het passende plantenpaspoort overeenkomstig artikel 10, indien aangenomen wordt dat ingevolge de behandeling aan de voorwaarden is voldaan;
- toelating voor verkeer, onder officieel toezicht, naar gebieden, waar zij geen bijkomend risico opleveren;
- toelating voor verkeer, onder officieel toezicht, naar plaatsen van industriële verwerking;
- vernietiging.
Volgens de procedure van artikel 18 kunnen uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld met betrekking tot:
- de voorwaarden waaronder één of meer van de in de eerste alinea bedoelde maatregelen al dan niet in aanmerking moeten worden genomen;
- de nadere regels en voorwaarden met betrekking tot deze maatregelen.
4. In de gevallen waarin lid 1 van toepassing is, worden de activiteiten van de producent geheel of gedeeltelijk geschorst tot blijkt dat er voor de verspreiding van schadelijke organismen geen risico meer bestaat. Zolang deze schorsing duurt, is artikel 10 niet van toepassing.
5. Wanneer op grond van een overeenkomstig artikel 6 verricht officieel onderzoek geoordeeld wordt dat de in artikel 6, lid 6, bedoelde producten niet vrij zijn van in de bijlagen I en II opgenomen schadelijke organismen, zijn de leden 2, 3 en 4 van het onderhavige artikel van overeenkomstige toepassing.