Art. 12 Richtlijn 2000/29/EG
1. De lidstaten mogen geen enkele aanvullende verklaring op de in de artikelen 7, 8 of 9 bedoelde fytosanitaire certificaten eisen.
2. Wanneer wordt vastgesteld dat een deel van een partij planten, plantaardige producten of andere materialen is aangetast door in de bijlagen I en II genoemde schadelijke organismen, is het op het grondgebied binnenbrengen van het andere gedeelte niet verboden, indien er geen enkel vermoeden bestaat dat dit gedeelte is aangetast en indien verbreiding van de schadelijke organismen uitgesloten lijkt.
3. De lidstaten schrijven voor dat op fytosanitaire certificaten of fytosanitaire certificaten voor herverzending die bij het op hun grondgebied binnenbrengen van planten, plantaardige producten of andere materialen worden overgelegd, een stempel van binnenkomst van de bevoegde dienst wordt aangebracht, dat ten minste de naam van die dienst alsmede de datum van binnenkomst vermeldt.
4. De lidstaten zien erop toe dat hun plantenziektekundige dienst die van de lidstaat van nieuwe verzending op de hoogte stelt van alle gevallen waarin planten, plantaardige producten of andere materialen uit die lidstaat in beslag zijn genomen op grond van fytosanitaire verboden of beperkingen. Deze mededelingen laten de maatregelen onverlet die de eerstgenoemde plantenziektekundige dienst noodzakelijk acht ten aanzien van de in beslag genomen zending, en geschieden zo spoedig mogelijk, zodat de betrokken plantenziektekundige diensten de situatie kunnen onderzoeken, met name om de nodige maatregelen te nemen om te vermijden dat dergelijke gevallen zich opnieuw voordoen en om, waar zulks passend en mogelijk is, ten aanzien van de in beslag genomen zending maatregelen te nemen die aangepast zijn aan het risiconiveau van het betrokken geval. Volgens de procedure van artikel 17 kan hiertoe een gestandaardiseerd informatiesysteem worden ingesteld.
5. Met ingang van 1 januari 1993 verrichten de lidstaten overeenkomstig de volgende bepalingen aselectief en zonder onderscheid ten aanzien van de oorsprong van de planten, de plantaardige producten en andere materialen, officiële controles om na te gaan of aan deze richtlijn en met name aan artikel 10, lid 2, is voldaan:
- incidentele controles, overal waar en telkens wanneer planten, plantaardige producten of andere materialen in het verkeer zijn;
- incidentele controles, op bedrijven waar planten, plantaardige producten en andere materialen worden geteeld, geproduceerd, opgeslagen of te koop aangeboden, alsmede op bedrijven van kopers;
- incidentele controles, tegelijkertijd met controles van documenten die om andere dan fytosanitaire redenen worden uitgevoerd.
De controles dienen regelmatig te worden uitgevoerd in de overeenkomstig artikel 10, lid 3, en artikel 13, lid 8, in een officieel register opgenomen bedrijven; zij kunnen regelmatig worden uitgevoerd in de overeenkomstig artikel 6, lid 6, in een officieel register opgenomen bedrijven.
Indien feiten aan het licht zijn gekomen die doen vermoeden dat niet aan één of meer bepalingen van deze richtlijn is voldaan, mogen gerichte controles worden uitgevoerd.
6. Commerciële kopers van planten, plantaardige producten of andere materialen moeten, wanneer zij eindgebruikers zijn die uit hoofde van hun beroep bij de productie van planten zijn betrokken, de desbetreffende plantenpaspoorten ten minste één jaar bewaren en de betreffende gegevens in hun administratie vermelden.
Inspecteurs hebben in alle productie- en afzetstadia toegang tot de planten, de plantaardige producten en andere materialen. Zij hebben het recht om alle onderzoek te verrichten dat voor de betrokken officiële controles nodig is, met inbegrip van die welke met de plantenpaspoorten en met de administratie verband houden.
7. De in artikel 21 bedoelde deskundigen kunnen de lidstaten bijstaan bij de officiële controles.
8. Wanneer op grond van de overeenkomstig de leden 5 en 6 uitgevoerde officiële controles is vastgesteld dat planten, plantaardige producten en andere materialen risico's meebrengen voor de verspreiding van schadelijke organismen, worden officiële maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 3, getroffen.