Art. 13 Richtlijn 2000/29/EG
1. De lidstaten schrijven ten aanzien van het op hun grondgebied binnenbrengen van ten minste de in bijlage V, deel B, genoemde planten, plantaardige producten of andere materialen, van herkomst uit derde landen, ten minste voor:
a) dat deze planten, plantaardige producten of andere materialen, alsmede hun verpakking, officieel grondig worden onderzocht en wel geheel of aan de hand van een representatief monster en dat zo nodig ook de vervoermiddelen officieel grondig worden onderzocht, teneinde, voorzover dit kan worden geconstateerd, na te gaan:
- of zij niet zijn aangetast door de in bijlage I, deel A, genoemde schadelijke organismen;
- ten aanzien van de in bijlage II, deel A, genoemde planten of plantaardige producten, of deze niet zijn aangetast door de schadelijke organismen die daarbij in dat deel van die bijlage worden genoemd;
- ten aanzien van de in bijlage IV, deel A, genoemde planten, plantaardige producten of andere materialen, of deze beantwoorden aan de bijzondere eisen die daarbij in dat deel van die bijlage worden genoemd;
b) dat deze vergezeld dienen te gaan van de in artikel 7 of 8 voorgeschreven certificaten, en dat het fytosanitaire certificaat niet meer dan 14 dagen vóór de datum waarop de planten, plantaardige producten of andere materialen het land van verzending hebben verlaten, mag zijn opgesteld. De in artikel 7 of 8 voorgeschreven certificaten moeten gegevens bevatten overeenkomstig het model dat is opgenomen in de bijlage bij het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten van 6 december 1951, zoals gewijzigd op 21 november 1979, ongeacht de lay-out daarvan, en worden afgegeven door diensten die daartoe bevoegd zijn in het kader van genoemd verdrag of - voor landen die geen partij bij dit verdrag zijn - op grond van de wettelijke bepalingen of voorschriften van het land. Er kunnen volgens de procedure van artikel 17 lijsten worden opgesteld van de diensten die in de verschillende derde landen bevoegd zijn om de certificaten af te geven.
In afwijking van de eerste alinea mogen de fytosanitaire certificaten van het model dat is opgenomen in de bijlage bij het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten van 6 december 1951, in zijn oorspronkelijke versie, gedurende een overgangsperiode worden gebruikt. De datum waarop die periode afloopt, kan worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 17.
2. Lid 1 van het onderhavige artikel is van toepassing op de gevallen bedoeld in artikel 6, lid 4, en in artikel 7, lid 3.
3. Lidstaten kunnen eveneens voorschrijven dat de zendingen uit derde landen die volgens de aangifte geen planten, plantaardige producten of andere materialen als bedoeld in bijlage V, deel B, bevatten, officieel worden gecontroleerd wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat op de voorschriften op dit gebied inbreuk is gepleegd.
Volgens de procedure van artikel 17:
- kan worden aangegeven in welke gevallen die controles dienen te worden uitgevoerd;
- kunnen de methoden voor dergelijke controles worden vastgesteld.
Mocht na de controle twijfel blijven bestaan ten aanzien van de identiteit van de zending, en met name ten aanzien van geslacht, soort of oorsprong, dan wordt de zending geacht planten, plantaardige producten of andere materialen als bedoeld in bijlage V, deel B, te bevatten.
4. Op voorwaarde dat er geen gevaar bestaat voor verspreiding van schadelijke organismen, zijn:
- de leden 1 en 2 van het onderhavige artikel niet van toepassing wanneer planten, plantaardige producten of andere materialen rechtstreeks worden overgebracht naar een andere plaats in de Gemeenschap via het grondgebied van een derde land;
- de leden 1 en 2 van het onderhavige artikel en artikel 4, lid 1, niet van toepassing bij doorvoer over het grondgebied van de Gemeenschap;
- de leden 1 en 2 van het onderhavige artikel niet van toepassing op het verkeer van kleine hoeveelheden planten, plantaardige producten, voedingsmiddelen of diervoeders wanneer deze bestemd zijn voor gebruik door de eigenaar of door de ontvanger voor niet-industriële en niet-commerciële doeleinden of voor verbruik tijdens het vervoer.
5. Overeenkomstig de voorwaarden die volgens de procedure van artikel 18 worden vastgesteld, gelden de leden 1 en 2 van het onderhavige artikel niet voor proefnemingen noch voor wetenschappelijke doeleinden noch voor selectiewerkzaamheden.
6. Voorzover geen gevaar voor verspreiding van schadelijke organismen bestaat, kan een lidstaat bepalen dat de leden 1 en 2 in bepaalde afzonderlijke gevallen niet van toepassing zijn op planten, plantaardige producten en andere materialen, die in zijn onmiddellijke grensgebied met een derde land worden geteeld, geproduceerd of gebruikt en in deze lidstaat worden binnengebracht om daarmee op nabijgelegen plaatsen in de grensstreek van zijn grondgebied te werken.
Wanneer de lidstaat zo'n ontheffing verleent, moet hij de plaats en de naam van degene die aldus werkt specificeren. Deze gegevens, die regelmatig moeten worden bijgewerkt, dienen ter beschikking van de Commissie te staan.
Planten, plantaardige producten en andere materialen die onder een ontheffing uit hoofde van de eerste alinea vallen, moeten vergezeld gaan van een bewijsstuk waarin de plaats in het betrokken derde land is vermeld vanwaar de bedoelde planten, plantaardige producten en andere materialen afkomstig zijn.
7. In volgens de procedure van artikel 18 goed te keuren technische regelingen tussen de Commissie en de bevoegde instanties van sommige derden landen kan worden bepaald dat de in lid 1, onder a), van het onderhavige artikel bedoelde inspectiewerkzaamheden op gezag van de Commissie, en overeenkomstig de terzake dienende bepalingen van artikel 21, ook kunnen worden uitgevoerd in het betrokken derde land in samenwerking met de officiële instantie voor gewasbescherming van dat land.
8. Met betrekking tot zendingen naar een beschermd gebied is vanaf 1 juni 1993 lid 1, onder a), van toepassing op in deel B van, respectievelijk, bijlagen I, II en IV genoemde schadelijke organismen en bijzondere eisen. Met ingang van dezelfde datum is lid 1, onverminderd de specifieke overeenkomsten die de Gemeenschap in dit verband met bepaalde derde landen heeft gesloten, van toepassing bij het voor het eerst binnenbrengen van de betreffende planten, plantaardige producten en andere materialen in de Gemeenschap.
De lidstaten schrijven voor dat de importeurs, ongeacht of zij al dan niet producent zijn, conform de van overeenkomstige toepassing zijnde bepalingen van artikel 6, lid 5, moeten worden ingeschreven in een officieel register.
Controles van de documenten en van de identiteit, alsmede de controles betreffende het in acht nemen van artikel 4, moeten worden uitgevoerd op het tijdstip dat de betreffende planten, plantaardige producten of andere materialen voor het eerst in de Gemeenschap worden binnengebracht, in samenhang met de overige administratieve formaliteiten in verband met de invoer met inbegrip van de douaneformaliteiten.
Fytosanitaire controles worden uitgevoerd op de plaatsen waar de in de derde alinea genoemde controles worden uitgevoerd, of in de nabijheid ervan. De bevoegde instanties van de lidstaten zenden de lijst van de plaatsen van binnenkomst aan de Commissie en aan de andere lidstaten. In bijzondere gevallen kunnen fytosanitaire controles evenwel worden uitgevoerd op de plaats van bestemming, indien specifieke garanties worden gegeven met betrekking tot het vervoer van planten, plantaardige producten of andere materialen. Uitvoeringsbepalingen, die minimumvoorwaarden kunnen behelzen, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 18. De fytosanitaire controles worden beschouwd als een verplicht onderdeel van de in de derde alinea bedoelde formaliteiten.
De lidstaten mogen slechts op grond van de bepalingen van de in lid 7 genoemde technische regelingen van de bepalingen van het onderhavige lid afwijken.
9. De Gemeenschap verleent de lidstaten een financiële bijdrage met het oog op de versterking van de controle-infrastructuur, voorzover het gaat om fytosanitaire controles die worden verricht overeenkomstig het bepaalde in lid 8, vierde alinea.
Deze bijdrage dient ter verbetering van de uitrusting van niet op de plaats van bestemming gevestigde controleposten wat betreft apparatuur en installaties die nodig zijn voor controle en onderzoek en eventueel voor de in lid 11 bedoelde maatregelen, boven het niveau dat reeds bereikt is doordat voldaan is aan de minimumvoorwaarden die in de uitvoeringsbepalingen zijn voorgeschreven op grond van lid 8, vierde alinea.
De Commissie stelt de opneming in de algemene begroting van de Europese Unie voor van daartoe benodigde kredieten.
Binnen de grenzen van de voor deze doeleinden beschikbare kredieten, dekt de bijdrage van de Gemeenschap tot 50 % van de uitgaven die rechtstreeks met de verbetering van apparatuur en installaties verband houden.
De details worden volgens de procedure van artikel 18 vastgesteld bij een toepassingsverordening.
Over de toekenning en het bedrag van de financiële bijdrage van de Gemeenschap wordt besloten volgens de procedure van artikel 18 in het licht van de gegevens en documenten die de betrokken lidstaat verstrekt heeft en eventueel van de resultaten van onderzoeken die onder verantwoordelijkheid van de Commissie door de in artikel 21 bedoelde deskundigen zijn uitgevoerd, alsmede rekening houdend met de voor de betrokken doeleinden beschikbare kredieten.
10. Met ingang van 1 juni 1993 is artikel 10, leden 1 en 3, dienovereenkomstig van toepassing op de in lid 1 van dit artikel bedoelde planten, plantaardige producten en andere materialen, voorzover deze in bijlage V, deel A, worden genoemd, wanneer op grond van de in lid 8 voorgeschreven controle blijkt dat aan de in lid 1 bedoelde eisen is voldaan.
11. Met ingang van 1 juni 1993 worden, wanneer de in lid 8 voorgeschreven controles niet de conclusie toelaten dat aan de in lid 1 bedoelde eisen is voldaan, onmiddellijk één of meer van de volgende officiële maatregelen genomen:
- passende behandeling, indien aangenomen wordt dat als gevolg van behandeling aan de voorwaarden is voldaan;
- verwijdering van geïnfecteerde/aangetaste producten uit de zending;
- oplegging van quarantaine tot de resultaten van de officiële onderzoeken of tests beschikbaar zijn;
- weigering of toestemming tot verzending naar een bestemming buiten de Gemeenschap;
- vernietiging.
Artikel 11, lid 3, tweede alinea, is van overeenkomstige toepassing.
In het geval van een verwijdering als genoemd in de eerste alinea, tweede streepje, of een weigering als genoemd in de eerste alinea, vierde streepje, bepalen de lidstaten dat de fytosanitaire certificaten of de fytosanitaire certificaten voor wederuitvoer die worden getoond wanneer de planten, plantaardige producten of andere materialen voor binnenbrenging op hun grondgebied worden voorgelegd, door de onderscheiden bevoegde officiële instanties ongeldig worden verklaard. Bij de ongeldigverklaring krijgt het certificaat, van die instanties, op de voorzijde ervan, duidelijk zichtbaar een driehoekig rood stempel met de vermelding "certificaat ongeldig verklaard", dat ten minste de naam van die instanties en de datum van weigering aangeeft. De vermelding gebeurt in hoofdletters en luidt in ten minste één van de officiële talen van de Gemeenschap.