Art. 6 Richtlijn 2000/29/EG

Richtlijn 2000/29/EG

1. De lidstaten schrijven ten aanzien van het binnenbrengen in een andere lidstaat van de in bijlage V, deel A, genoemde planten, plantaardige producten of andere materialen ten minste voor dat deze, alsmede hun verpakking, officieel grondig worden onderzocht, en wel geheel of aan de hand van een representatief monster, en dat zo nodig ook de gebruikte vervoermiddelen officieel worden onderzocht, teneinde na te gaan:

a) of zij niet zijn aangetast door de in bijlage I, deel A, genoemde schadelijke organismen;

b) ten aanzien van de in bijlage II, deel A, genoemde planten of plantaardige producten, of deze niet zijn aangetast door de schadelijke organismen die daarbij in dat deel van die bijlage worden genoemd;

c) ten aanzien van de in bijlage IV, deel A, genoemde planten, plantaardige producten of andere materialen, of deze beantwoorden aan de bijzondere eisen die daarbij in dat deel van die bijlage worden genoemd.

2. Zodra de maatregelen bedoeld in artikel 3, lid 6, onder a), en in artikel 5, lid 3, zijn vastgesteld, is lid 1 van het onderhavige artikel slechts van toepassing ten aanzien van bijlage I, deel A, rubriek II, bijlage II, deel A, rubriek II, en bijlage IV, deel A, rubriek II. Indien tijdens het overeenkomstig de onderhavige bepaling verrichte onderzoek in bijlage I, deel A, rubriek I, of bijlage II, deel A, rubriek I, opgenomen schadelijke organismen worden ontdekt, wordt geacht dat aan de voorwaarden van artikel 10 niet is voldaan.

3. De lidstaten schrijven de in lid 1 genoemde onderzoeksmaatregelen voor, teneinde te waarborgen dat ook de bepalingen van artikel 3, leden 4, 5 en 7, en artikel 5, lid 2, worden nageleefd, voorzover de lidstaat van bestemming gebruikmaakt van de in genoemde artikelen voorziene mogelijkheden.

4. De lidstaten schrijven voor dat het zaad dat in bijlage IV, deel A, wordt genoemd en dat bestemd is om in een andere lidstaat te worden binnengebracht, officieel moet worden onderzocht, teneinde zekerheid te verkrijgen dat het zaad voldoet aan de bijzondere eisen die daarop betrekking hebben en in dat deel van die bijlage worden vermeld.

5. Met ingang van 1 juni 1993, en onverminderd het bepaalde in lid 7, zijn de leden 1, 3 en 4 eveneens van toepassing op het verkeer in planten, plantaardige producten of andere materialen binnen het grondgebied van een lidstaat. Met betrekking tot de in bijlage I, deel B, of in bijlage II, deel B, genoemde schadelijke organismen en de in bijlage IV, deel B, genoemde bijzondere eisen zijn de leden 1, 3 en 4 niet van toepassing op het verkeer van planten, plantaardige producten of andere materialen dat plaatsvindt via een beschermd gebied of daarbuiten.

Het officiële onderzoek als bedoeld in de leden 1, 3 en 4, wordt overeenkomstig de volgende bepalingen verricht:

a) het moet betrekking hebben op alle relevante planten of plantaardige producten die de producent teelt, produceert of gebruikt of die anderszins op zijn bedrijf aanwezig zijn, alsmede op het gebruikte groeimedium;

b) het moet worden verricht op het bedrijf, bij voorkeur op de plaats van productie;

c) het moet regelmatig, en ten minste eenmaal per jaar, op daartoe geschikte tijdstippen worden verricht, en ten minste door middel van visuele waarneming, onverminderd de in bijlage IV genoemde bijzondere eisen; de verdere werkzaamheden kunnen plaatsvinden wanneer zulks overeenkomstig lid 8 is voorgeschreven.

Iedere producent bij wie op grond van de leden 1 tot en met 4 het in de tweede alinea bedoelde officiële onderzoek moet worden verricht, wordt in een officieel register opgenomen onder een registratienummer dat zijn identificatie mogelijk maakt. De Commissie heeft desgevraagd toegang tot de aldus opgestelde officiële registers.

De producent is onderworpen aan bepaalde overeenkomstig lid 8 vastgestelde verplichtingen. In het bijzonder stelt hij de verantwoordelijke officiële instantie van de betrokken lidstaat onverwijld in kennis van het op atypische wijze voorkomen van schadelijke organismen of symptomen of van andere abnormale feiten in verband met planten.

De leden 1, 3 en 4 gelden niet voor het verkeer van kleine hoeveelheden planten, plantaardige producten, voedingsmiddelen of diervoeders wanneer deze bestemd zijn voor gebruik door de eigenaar of door de ontvanger voor niet-industriële en niet-commerciële doeleinden of voor verbruik tijdens het vervoer, op voorwaarde dat er geen gevaar bestaat voor verspreiding van schadelijke organismen.

6. Met ingang van 1 juni 1993 schrijven de lidstaten voor dat de producenten van bepaalde, niet in bijlage V, deel A, vermelde planten, plantaardige producten of andere materialen, gespecificeerd overeenkomstig lid 8, of de in het productiegebied gelegen gemeenschappelijke opslagplaatsen of verzendingscentra eveneens in een officieel register op plaatselijk, regionaal of nationaal niveau worden ingeschreven overeenkomstig lid 5, derde alinea. Het in lid 5, tweede alinea, bedoelde onderzoek kan te allen tijde bij hen worden uitgevoerd.

Overeenkomstig lid 8 kan voor bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen, met inachtneming van de aard van de voorwaarden betreffende productie en afzet, een systeem worden ingesteld waarmee, zo mogelijk, tot hun oorsprong kan worden teruggegaan.

7. De lidstaten kunnen, indien geen verspreiding van schadelijke organismen te vrezen is, voorschrijven:

- dat de in de leden 5 en 6 bedoelde inschrijving niet geldt voor de kleine producenten of verwerkende bedrijven wier totale productie en verkoop van de relevante planten, plantaardige producten en andere materialen uitsluitend bestemd is voor eindverbruik voor personen op de plaatselijke markt die niet uit hoofde van hun beroep bij de productie van planten zijn betrokken (plaatselijk verkeer), of

- dat het in de leden 5 en 6 voorgeschreven officiële onderzoek niet geldt voor het plaatselijke verkeer van planten, plantaardige producten en andere materialen, geproduceerd door aldus vrijgestelde personen.

De bepalingen van deze richtlijn betreffende plaatselijk verkeer worden vóór 1 januari 1998 door de Raad opnieuw bezien op voorstel van de Commissie in het licht van de opgedane ervaring.

8. Volgens de procedure van artikel 18 worden uitvoeringsbepalingen vastgesteld met betrekking tot:

- minder strenge voorwaarden betreffende het verkeer van planten, plantaardige producten en van andere materialen binnen een beschermd gebied, dat voor genoemde planten, plantaardige producten en andere materialen ten aanzien van één of meer schadelijke organismen is vastgesteld,

- garanties voor het verkeer van planten, plantaardige producten en andere materialen via een beschermd gebied, dat voor genoemde planten, plantaardige producten of andere materialen ten aanzien van één of meer schadelijke organismen is vastgesteld,

- de frequentie en het tijdschema van het officiële onderzoek met inbegrip van de verdere werkzaamheden, bedoeld in lid 5, tweede alinea, onder c),

- de verplichtingen waaraan de ingeschreven producenten zijn onderworpen, bedoeld in lid 5, vierde alinea,

- de specificatie van de producten als bedoeld in lid 6, alsmede de producten waarvoor het in lid 6 bedoelde systeem wordt overwogen,

- andere vereisten met betrekking tot de in lid 7 bedoelde vrijstellingen, in het bijzonder wat betreft de begrippen "kleine producenten" en "plaatselijke markt" en de desbetreffende procedures.

9. Volgens de procedure van artikel 18 kunnen uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld met betrekking tot de inschrijvingsprocedure en het inschrijvingsnummer, bedoeld in lid 5, derde alinea.