Art. 7 Verordening (EG) nr. 2792/1999, Aanpassing van de visserij-inspanning

Verordening (EG) nr. 2792/1999

1. De lidstaten nemen passende maatregelen tot aanpassing van de visserij-inspanning om de doelstellingen van de in artikel 4 bedoelde meerjarige oriëntatieprogramma's te bereiken.

Indien nodig geschiedt dit door de definitieve beëindiging of de beperking van de visserijactiviteiten van de vaartuigen of door een combinatie van beide maatregelen, overeenkomstig de van toepassing zijnde bepalingen van bijlage III.

2. Voor de maatregelen voor definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten komen slechts vaartuigen in aanmerking die meer dan tien jaar oud zijn.

3. Definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten van vaartuigen is mogelijk door:

a) de sloop van het vaartuig;

b) de definitieve overbrenging van het vaartuig naar een derde land, ook in het kader van een gemengde vennootschap in de zin van artikel 8, na toestemming van de bevoegde autoriteiten van het betrokken derde land, mits aan de volgende voorwaarden voldaan is:

i) er bestaan passende garanties dat het internationale recht niet wordt geschonden, met name met betrekking tot de instandhouding en het beheer van de visbestanden of andere doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid en de arbeidsvoorwaarden van de vissers;

ii) het derde land waarnaar het vaartuig moet worden overgebracht is geen kandidaat voor toetreding;

iii) de overbrenging leidt tot een vermindering van de visserij-inspanningen voor de bestanden die voorheen door het overgebrachte vaartuig werden bevist; dit criterium is echter niet van toepassing als het overgebrachte vaartuig in het kader van een visserijovereenkomst met de Gemeenschap of een andere overeenkomst visserijrechten heeft verloren;

c) het definitieve gebruik van het vaartuig voor andere doeleinden dan visserij.

4. De capaciteit van de vaartuigen, andere dan vaartuigen met een totale lengte van minder dan 12 meter, met uitzondering van trawlers, en die zonder overheidssteun kunnen worden vervangen, en die vallen onder een maatregel tot definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten in de zin van de leden 2 en 3, mag in geen geval worden vervangen.

De lidstaten zien erop toe dat de visvergunningen van alle aan de vloot onttrokken vaartuigen vernietigde worden en dat overbrengingen van vaartuigen gemeld worden aan het communautair gegevensbestand van vissersvaartuigen. Zij zien er tevens op toe dat vaartuigen die naar derde landen zijn overgebracht en uit het gegevensbestand geschrapt zijn, definitief worden uitgesloten van visserijactiviteiten in de communautaire wateren.

5. De aan de begunstigden voor definitieve beëindiging van de visserij uitgekeerde overheidssteun mag de volgende bedragen niet overschrijden:

a) Slooppremies:

i) vaartuigen die tien tot 15 jaar oud zijn: de tarieven als vermeld in de tabellen 1 en 2 van bijlage IV;

ii) vaartuigen die tussen 16 en 29 jaar oud zijn: de tarieven van de tabellen 1 en 2, verlaagd met 1,5 % per jaar dat het vaartuig ouder is dan 15 jaar;

iii) vaartuigen die 30 jaar oud of ouder zijn: de tarieven als vermeld in de tabellen 1 en 2, verminderd met 22,5 %;

b) Premies voor de definitieve overbrenging in het kader van een gemengde vennootschap: de in artikel 8, lid 3, bedoelde bedragen. In het kader van deze maatregel mag evenwel geen overheidssteun worden toegekend voor vaartuigen met een tonnage van minder dan 20 BRT of 22 BT of die 30 jaar oud of ouder zijn;

c) Premies voor andere gevallen van definitieve overbrenging naar een derde land: de onder a) bedoelde maximumbedragen van de slooppremies, verminderd met 50 %. In het kader van deze maatregel mag evenwel geen overheidssteun worden toegekend voor vaartuigen met een tonnage van minder dan 20 BRT of 22 BT of die 30 jaar of ouder zijn, behoudens in de in lid 6 bedoelde gevallen;

d) Premies voor andere gevallen van definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten: de onder a) bedoelde maximumbedragen van de slooppremies, verminderd met 50 %. In het kader van deze maatregel mag evenwel geen overheidssteun worden toegekend voor vaartuigen met een tonnage van minder dan 20 BRT of 22 BT, behoudens in de in lid 6 bedoelde gevallen.

6. In afwijking van lid 5, onder c) en d), wordt, wanneer het vaartuig definitief wordt bestemd voor de instandhouding van het historisch erfgoed op het grondgebied van een lidstaat, dan wel voor visserijonderzoek of opleiding door overheids- of semi-overheidsinstanties van een lidstaat, of voor controle op de visserijactiviteiten, met name door een derde land, overheidssteun verleend overeenkomstig lid 5, onder a).

7. Onverminderd artikel 16 kunnen de maatregelen tot beperking van de visserijactiviteiten bestaan in beperkingen van de per periode toegestane vis- of zeedagen. Deze maatregelen komen niet in aanmerking voor overheidssteun.

Uitspraken die dit artikel aanhalen