Art. 6 Verordening (EG) nr. 2792/1999, Vernieuwing van de vloot en modernisering van de vissersvaartuigen

Verordening (EG) nr. 2792/1999

1. De vernieuwing van de vloot en de modernisering van vissersvaartuigen worden georganiseerd zoals is bepaald in deze titel.

Elke lidstaat legt de Commissie, voor goedkeuring volgens de procedure van artikel 23, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 3760/92 permanente regelingen voor controle op de vernieuwing en de modernisering van de vloot voor. In het kader van die regelingen en rekening houdend met de bepalingen van artikel 7, lid 4, tonen de lidstaten aan dat in- en buitenbedrijfstellingen van vaartuigen uit de vloot zodanig zullen worden beheerd dat de capaciteit de in het meerjarig oriëntatieprogramma vastgestelde jaarlijkse doelstellingen, in totaal en voor de betrokken vlootsegmenten, niet overschrijdt of dat de vangstcapaciteit, in voorkomend geval, geleidelijk wordt verminderd tot deze doelstellingen zijn bereikt.

De regeling moet er met name rekening mee houden dat capaciteit, andere dan die van vaartuigen met een totale lengte van minder dan 12 meter, met uitzondering van trawlers, die met overheidssteun aan de visserij is onttrokken, niet mag worden vervangen.

2. De lidstaten kunnen een aanvraag indienen voor een duidelijk omschreven en gekwantificeerde verhoging van de capaciteitsdoelstellingen in verband met maatregelen ter verbetering van de veiligheid, de navigatie op zee, de hygiëne, de productkwaliteit en de arbeidsomstandigheden, op voorwaarde dat die maatregelen niet leiden tot een verhoging van het exploitatieniveau van de betrokken bestanden.

De aanvraag zal behandeld worden door de Commissie en goedgekeurd worden volgens de procedure van artikel 23, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 3760/92. Capaciteitsvergrotingen worden in het kader van de in lid 1 bedoelde permanente regelingen door de lidstaten beheerd.