Art. 7 Richtlijn 1999/30/EG, Beoordeling van de concentraties
1. In bijlage V, deel I, zijn voor de toepassing van artikel 6 van Richtlijn 96/62/EG, voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood de bovenste en onderste beoordelingsdrempel vastgesteld.
De indeling van elke zone of agglomeratie voor de toepassing van genoemd artikel 6 wordt ten minste om de vijf jaar volgens de in bijlage V, deel II, vastgestelde procedure geëvalueerd. De indeling wordt eerder geëvalueerd wanneer significante wijzigingen optreden in de activiteiten die relevant zijn voor de concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide of, indien van toepassing, stikstofdioxide plus stikstofmonoxide, zwevende deeltjes of lood in de lucht.
2. Bijlage VI bevat criteria om de plaats van de monsternemingspunten voor de meting van zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht te bepalen. In bijlage VII is het minimumaantal monsternemingspunten vermeld voor vaste metingen van de concentraties van elk van de betreffende verontreinigende stoffen als meting de enige bron is van gegevens over concentraties. Zij dienen te worden geïnstalleerd in alle zones of agglomeraties waar metingen vereist zijn in dat gebied.
3. In zones of agglomeraties waarin de informatie uit continu werkende meetstations wordt aangevuld met gegevens uit andere bronnen, zoals emissie-inventarissen, indicatieve meetmethoden of luchtkwaliteitsmodellen, dienen het aantal geïnstalleerde continu werkende meetstations en de ruimtelijke resolutie van andere technieken toereikend te zijn om de concentraties van verontreinigende stoffen in de lucht overeenkomstig bijlage VI, deel I, en bijlage VIII, deel I, te kunnen vaststellen.
4. Voor de zones en agglomeraties waar metingen niet vereist zijn, kunnen technieken op basis van modellen of objectieve ramingen worden gebruikt.
5. In bijlage IX, delen I tot en met III, zijn referentiemethoden voor de analyse van zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden en lood, en voor de monsterneming en de analyse van lood vastgesteld.
De referentiemethode voor de monsterneming en de meting van PM10 staat in bijlage IX, deel IV.
De voorlopige ontwerpreferentiemethode voor de monsterneming en de meting van PM2,5 staat in bijlage IX, deel V.
In bijlage IX, deel VI, zijn referentietechnieken voor luchtkwaliteitsmodellen vastgesteld.
6. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk 18 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn krachtens artikel 11, punt 1, onder d), van Richtlijn 96/62/EG in kennis van de methoden die voor de voorafgaande beoordeling van de luchtkwaliteit zijn gebruikt.
7. De wijzigingen die nodig zijn om de bepalingen van dit artikel en de bijlagen V tot en met IX aan de vooruitgang van wetenschap en techniek aan te passen, worden volgens de procedure van artikel 12 van Richtlijn 96/62/EG vastgesteld.