Art. 5 Richtlijn 1999/30/EG, Zwevende deeltjes
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de concentraties van PM10 in de lucht, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 7, met ingang van de in bijlage III, deel I, vermelde data de daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden.
De in bijlage III, deel I, bepaalde overschrijdingsmarges zijn van toepassing overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 96/62/EG.
2. De lidstaten dragen zorg voor de installatie en werking van meetstations die gegevens over PM2,5-concentraties verstrekken. Aantal en ligging van de stations waar de PM2,5 wordt gemeten, worden door de lidstaten zodanig gekozen dat die stations representatief zijn voor de PM2,5-concentraties in die lidstaat. Waar mogelijk dienen de monsternemingspunten met die voor PM10 samen te vallen.
De lidstaten delen de Commissie jaarlijks, uiterlijk negen maanden na afloop van elk jaar, het rekenkundig gemiddelde, de mediaan, het 98-percentiel en de maximale concentratie mee, berekend op basis van de PM2,5-metingen over 24 uur gedurende dat jaar. Het 98-percentiel wordt berekend volgens de procedure die is beschreven in bijlage I, punt 4, van Beschikking 97/101/EG van de Raad van 27 januari 1997 tot invoering van een regeling voor de onderlinge uitwisseling van informatie over en gegevens van meetnetten en meetstations voor luchtverontreiniging in de lidstaten(6).
3. In krachtens artikel 8 van Richtlijn 96/62/EG opgestelde actieplannen voor PM10 en algemene strategieën om de PM10-concentraties terug te dringen wordt ook naar vermindering van de PM2,5-concentraties gestreefd.
4. Wanneer de in bijlage III, deel I, bedoelde grenswaarden voor PM10 worden overschreden doordat er concentraties van PM10 in de lucht aanwezig zijn ingevolge natuurverschijnselen waardoor er concentraties voorkomen die significante overschrijdingen van de normale achtergrondniveaus van natuurlijke oorsprong inhouden, stellen de lidstaten de Commissie daarvan overeenkomstig artikel 11, punt 1, van Richtlijn 96/62/EG in kennis met de nodige bewijzen dat dergelijke overschrijdingen aan natuurverschijnselen te wijten zijn. In dergelijke gevallen zijn de lidstaten slechts verplicht om overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Richtlijn 96/62/EG actieplannen uit te voeren wanneer de in bijlage III, deel I, bedoelde grenswaarden vanwege andere dan natuurverschijnselen worden overschreden.
5. De lidstaten kunnen zones of agglomeraties aanwijzen waar de in bijlage III, deel I, bedoelde grenswaarden voor PM10 worden overschreden als gevolg van PM10-concentraties in de lucht die ontstaan als bij het strooien van zand op wegen in de winter opwerveling van deeltjes optreedt. De lidstaten verstrekken de Commissie een lijst van al deze zones of agglomeraties en tevens informatie over de daar aanwezige PM10-concentraties en -bronnen. Wanneer de lidstaten de Commissie daarvan overeenkomstig artikel 11, punt 1, van Richtlijn 96/62/EG in kennis stellen, leveren zij de nodige bewijzen dat deze overschrijdingen aan dergelijke opgewervelde deeltjes te wijten zijn, en dat in redelijke mate is getracht om die concentraties te verlagen.
In deze zones of agglomeraties zijn de lidstaten slechts verplicht actieplannen overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Richtlijn 96/62/EG uit te voeren, wanneer de in bijlage III, deel I, bedoelde grenswaarden worden overschreden vanwege andere PM10-niveaus dan die welke te wijten zijn aan het strooien van zand op wegen in de winter.