Art. 7 Richtlijn 1999/5/EG, Ingebruikneming en recht op aansluiting

Richtlijn 1999/5/EG

1. De lidstaten staan toe dat apparatuur overeenkomstig hun bestemming in gebruik wordt genomen, indien zij voldoet aan de essentiële eisen van artikel 3 en aan de andere desbetreffende bepalingen van deze richtlijn.

2. Ongeacht lid 1 en onverminderd de voorwaarden voor de toekenning van vergunningen voor het conform het Gemeenschapsrecht verstrekken van de betrokken dienst, kunnen de lidstaten de ingebruikneming van radioapparatuur uitsluitend beperken om redenen die verband houden met het efficiënt en passend gebruik van het radiospectrum, het voorkomen van schadelijke interferentie, of aangelegenheden op het gebied van de volksgezondheid.

3. Onverminderd lid 4 zorgen de lidstaten ervoor dat exploitanten van openbare telecommunicatienetten niet op technische gronden weigeren telecommunicatie-eindapparatuur op daartoe geschikte interfaces aan te sluiten als die apparatuur voldoet aan de van toepassing zijnde eisen van artikel 3.

4. Wanneer een lidstaat van oordeel is dat apparatuur waarvan verklaard is dat zij aan de bepalingen van deze richtlijn voldoet, ernstige schade toebrengt aan een netwerk of schadelijke radio-interferentie veroorzaakt of het netwerk of de werking daarvan schaadt, kan de exploitant toestemming krijgen om dergelijke apparatuur niet aan te sluiten, af te sluiten dan wel uit het dienstaanbod te halen. Telkens wanneer zij deze toestemming verlenen, stellen de lidstaten de Commissie daarvan in kennis. De Commissie roept het comité bijeen, dat advies uitbrengt over de aangelegenheid. Nadat bij het comité advies is ingewonnen kan de Commissie de in artikel 5, leden 2 en 3, bedoelde procedure inleiden. De Commissie en de lidstaten kunnen tevens andere passende maatregelen treffen.

5. In dringende gevallen mag de exploitant apparatuur afsluiten, indien de bescherming van het netwerk vereist dat de apparatuur onmiddellijk wordt afgesloten en de gebruiker onverwijld en gratis een alternatieve oplossing kan worden geboden. De exploitant stelt de nationale instantie die bevoegd is voor de tenuitvoerlegging van artikel 7, lid 4, en artikel 9 hiervan onverwijld in kennis.

Uitspraken die dit artikel aanhalen