Art. 6 Richtlijn 1999/5/EG, Op de markt brengen

Richtlijn 1999/5/EG

1. De lidstaten zorgen ervoor dat apparatuur uitsluitend op de markt wordt gebracht indien zij, bij behoorlijke installatie en onderhoud en bij gebruik overeenkomstig haar bestemming, voldoet aan de toepasselijke in artikel 3 genoemde essentiële eisen en aan de andere desbetreffende bepalingen van deze richtlijn. Met betrekking tot het op de markt brengen worden geen verdere nationale voorschriften opgelegd.

2. Wanneer een besluit wordt genomen inzake de toepassing van de essentiële eisen overeenkomstig artikel 3, lid 3, stelt de Commissie de datum vast waarop aan die vereisten moet worden voldaan. Wordt vastgesteld dat een apparatuurcategorie moet voldoen aan specifieke, in artikel 3, lid 3, genoemde essentiële eisen, dan kan de apparatuur van die categorie die voor het eerst op de markt werd gebracht vóór de door de Commissie vastgestelde datum gedurende een redelijke termijn verder op de markt worden gebracht. Zowel de datum van toepassing van haar besluit als de termijn worden door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 14.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat de fabrikant of de persoon die verantwoordelijk is voor het op de markt brengen van de apparatuur de gebruiker, behalve de verklaring van overeenstemming met de essentiële eisen, informatie verschaft over het gebruik waarvoor de apparatuur bestemd is. Wanneer het radioapparatuur betreft, moet deze informatie voldoende zijn om uit de verpakking of uit de gebruiksaanwijzing van het apparaat te kunnen opmaken voor welke lidstaten of welk geografisch gebied binnen een lidstaat de apparatuur bedoeld is, en moet de gebruiker door het op het apparaat aangebrachte merkteken als bedoeld in bijlage VII, punt 5, geattendeerd worden op de beperkingen of eisen aangaande de machtiging tot het gebruik van de radioapparatuur in bepaalde lidstaten. Wanneer het telecommunicatie-eindapparatuur betreft, moet uit deze informatie kunnen worden opgemaakt voor aansluiting op welke interfaces van het openbare telecommunicatienet de apparatuur bedoeld is. Deze informatie moet op alle apparatuur duidelijk zichtbaar worden aangebracht.

4. Indien voor radioapparatuur frequentiebanden gebruikt worden waarvan het gebruik niet in de gehele Gemeenschap geharmoniseerd is, stelt de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde of de persoon die verantwoordelijk is voor het op de markt brengen van de apparatuur, de voor spectrumbeheer verantwoordelijke nationale autoriteit in de betrokken lidstaat in kennis van zijn voornemen die apparatuur op de markt van die lidstaat te brengen.

Deze kennisgeving vindt plaats ten minste vier weken voordat begonnen wordt met het op de markt brengen en behelst informatie over de radiokenmerken van de apparatuur (in het bijzonder frequentiebanden, kanaalscheiding, soort modulatie en radiofrequentievermogen) en het identificatienummer van de aangemelde instantie als bedoeld in bijlage IV of V.

Uitspraken die dit artikel aanhalen