Art. 9 Richtlijn 1999/5/EG, Vrijwaringsmaatregelen

Richtlijn 1999/5/EG

1. Wanneer een lidstaat vaststelt dat onder deze richtlijn vallende apparatuur niet voldoet aan de essentiële eisen van deze richtlijn, neemt hij op zijn grondgebied de nodige maatregelen om deze apparatuur uit de markt te nemen of uit het dienstaanbod te halen, het op de markt brengen of in gebruik nemen ervan te verbieden of het vrije verkeer ervan te beperken.

2. De betrokken lidstaat stelt de Commissie onverwijld in kennis van dergelijke maatregelen, motiveert zijn besluit en vermeldt of de niet-conformiteit te wijten is aan:

a) een onjuiste toepassing van de in artikel 5, lid 1, bedoelde geharmoniseerde normen;

b) onvolkomenheden in de in artikel 5, lid 1, bedoelde geharmoniseerde normen;

c) het niet voldoen aan de in artikel 3 bedoelde eisen, voorzover de apparatuur niet voldoet aan de in artikel 5, lid 1, bedoelde geharmoniseerde normen.

3. Indien de in lid 1 bedoelde maatregelen gebaseerd zijn op een onjuiste toepassing van de in artikel 5, lid 1, bedoelde geharmoniseerde normen of op het niet voldoen aan de in artikel 3 bedoelde eisen voorzover de apparatuur niet voldoet aan de in artikel 5, lid 1, bedoelde geharmoniseerde normen, overlegt de Commissie zo spoedig mogelijk met de betrokken partijen. De Commissie stelt de lidstaten onverwijld in kennis van haar bevindingen en deelt hun binnen twee maanden nadat zij zelf van de maatregelen in kennis is gesteld mee, of zij die maatregelen gerechtvaardigd acht.

4. Indien het in lid 1 bedoelde besluit gebaseerd is op onvolkomenheden in de in artikel 5, lid 1, bedoelde geharmoniseerde normen, legt de Commissie deze aangelegenheid binnen twee maanden voor aan het comité. Het comité brengt overeenkomstig de procedure van artikel 14 advies uit. De Commissie stelt de lidstaten na deze raadpleging in kennis van haar bevindingen en deelt hun mee of zij de maatregelen van de lidstaat gerechtvaardigd acht. Acht zij deze gerechtvaardigd, dan leidt zij onverwijld de in artikel 5, lid 2, bedoelde procedure in.

5. a) Onverminderd het bepaalde in artikel 6 kan een lidstaat overeenkomstig het Verdrag, en inzonderheid de artikelen 30 en 36 daarvan, alle passende maatregelen aannemen

i) houdende een verbod of een beperking tot het op zijn markt brengen; en/of

ii) houdende de eis tot verwijdering van zijn markt

van radioapparatuur, met inbegrip van soorten radioapparatuur die schadelijke interferentie, met inbegrip van interferentie met bestaande of geplande diensten op door de lidstaat toegewezen frequenties, heeft veroorzaakt of waarvan die lidstaat redelijkerwijze kan verwachten dat zij schadelijke interferentie zal veroorzaken.

b) Wanneer een lidstaat maatregelen neemt overeenkomstig punt a), stelt hij de Commissie daarvan onverwijld in kennis, onder vermelding van de redenen die aan die maatregelen ten grondslag liggen.

6. Wanneer een lidstaat de Commissie in kennis stelt van een maatregel als bedoeld in lid 1 of lid 5, stelt de Commissie de andere lidstaten op de hoogte en raadpleegt zij het comité over de kwestie.

Wanneer de Commissie na deze raadpleging van oordeel is dat

- de maatregel gerechtvaardigd is, brengt zij de initiatiefnemende lidstaat en de overige lidstaten hiervan onmiddellijk op de hoogte;

- de maatregel niet gerechtvaardigd is, brengt zij de lidstaat hiervan op de hoogte en verzoekt zij de lidstaat de maatregel in te trekken.

7. De Commissie houdt een lijst bij van de door de lidstaten gesignaleerde gevallen, die hun op verzoek ter beschikking wordt gesteld.