Art. 12 Richtlijn 1999/5/EG, CE-merkteken

Richtlijn 1999/5/EG

1. Apparatuur die aan alle geldende essentiële eisen voldoet, wordt voorzien van het CE-overeenstemmingsmerkteken zoals bedoeld in bijlage VII. Het wordt aangebracht onder verantwoordelijkheid van de fabrikant, zijn gemachtigde in de Gemeenschap of de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van de apparatuur.

Ingeval de in bijlage III, IV of V bedoelde procedure wordt gevolgd, gaat het merkteken vergezeld van het identificatienummer van de in artikel 11, lid 1, bedoelde aangemelde instantie. Radioapparatuur gaat bovendien vergezeld van een merkteken ter aanduiding van de apparatuurcategorie wanneer een dergelijk merkteken is toegekend. De apparatuur mag van andere merktekens worden voorzien, mits zulks de zichtbaarheid en leesbaarheid van het CE-merkteken niet vermindert.

2. Op apparatuur, ongeacht of deze al dan niet aan de toepasselijke essentiële eisen voldoet, mogen geen merktekens worden aangebracht die wat vorm en betekenis betreft door derden kunnen worden verward met het in bijlage VII beschreven CE-merkteken.

3. De bevoegde lidstaat treft passende maatregelen tegen degene die een merkteken aanbrengt dat niet aan de leden 1 en 2 voldoet. Indien de persoon die het merkteken heeft aangebracht niet kan worden geïdentificeerd, kunnen passende maatregelen worden genomen tegen de houder van de apparatuur, wanneer de niet-conformiteit wordt ontdekt.

4. Op apparatuur wordt ter identificatie door de fabrikant een type-, partij- en/of serienummer vermeld, alsmede de naam van de fabrikant of de persoon die voor het in de handel brengen van de apparatuur verantwoordelijk is.