Art. 10 Richtlijn 97/78/EG
1. Op een naar behoren gemotiveerd verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief kan de Commissie volgens de procedure van artikel 29 bepalen, dat de materiële controles, onder bepaalde voorwaarden en met name in het licht van de resultaten van vorige controles, met een lagere frequentie mogen worden verricht voor producten waarvoor de invoervoorwaarden zijn geharmoniseerd, dat wil zeggen
a) uit derde landen of gebieden van derde landen die afdoende gezondheidsgaranties bieden inzake de controles op de plaats van oorsprong van voor invoer in een van de in bijlage I vermelde grondgebieden bestemde producten;
b) voorzover de communautaire wetgeving zulks verplicht, uit inrichtingen die op een overeenkomstig de communautaire regelgeving opgestelde lijst staan of, in geval van overeenkomstig Beschikking 95/408/EG van de Raad van 22 juni 1995 tot vaststelling van voorschriften voor het opstellen, voor een overgangsperiode, van voorlopige lijsten van inrichtingen in derde landen waaruit de lidstaten bepaalde producten van dierlijke oorsprong, visserijproducten en levende tweekleppige weekdieren mogen invoeren (16) goedgekeurde inrichtingen, uit een inrichting die een nationale of communautaire inspectie heeft ondergaan;
c) waarvoor de invoercertificaten voor de betrokken producten zijn aangenomen.
2. Alvorens een voorstel in te dienen voor de toekenning van dergelijke uitzonderingen voor producten uit een bepaald derde land, legt de Commissie het Permanent Veterinair Comité een verslag voor over dat derde land aan de hand van de volgende aspecten:
a) de door het betrokken derde land voor zijn grondgebied of een gedeelte daarvan geboden garanties ten aanzien van de naleving van de communautaire voorschriften, met inbegrip van de controle op residuen;
b) de gezondheidssituatie van de dieren in het betrokken derde land;
c) informatie over de algemene gezondheidssituatie in het land;
d) de aard van de door het derde land toegepaste maatregelen inzake controle op en bestrijding van ziekten;
e) de structuur, de bevoegdheden, de onafhankelijkheid en de vakbekwaamheid van de veterinaire of andere bevoegde diensten;
f) de naleving van de in de Gemeenschapsregelgeving vastgelegde minimumeisen met betrekking tot de hygiëne bij de productie;
g) de aard van het product of de producten en het potentieel gezondheidsrisico daarvan;
h) de voorschriften betreffende de toelating van bepaalde stoffen en de naleving van de eisen van Richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van â-agonisten (17), en van Richtlijn 96/23/EG;
i) de resultaten van de communautaire of nationale inspectiebezoeken;
j) de resultaten van de bij invoer verrichte controles,
k) de risicoanalyse met betrekking tot de aard van de in te voeren producten, de wijze waarop ze aangeboden worden of de wijze van vervoer.
3. Onverminderd het bepaalde in lid 1 kan over vermindering van de frequentie van de materiële controles op basis van wederkerigheid ook worden onderhandeld in het kader van een veterinaire gelijkwaardigheidsovereenkomst tussen de Gemeenschap en een derde land.
Deze verminderingen moeten volgens de procedure van artikel 29 in de communautaire regelgeving worden opgenomen.
4. De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 29.