Art. 13
1. Voor handelaren die rechtstreeks producten zoals bedoeld in artikel 12, lid 4, aan zeevervoermiddelen leveren als proviand voor bemanning en passagiers, geldt, naast de voorschriften van artikel 12, leden 1 en 2, lid 4, onder a) en onder b), tweede, derde en vierde streepje, en de leden 5, 6, 7 en 9 het volgende: zij moeten
a) door de bevoegde autoriteit vooraf als handelaar zijn goedgekeurd;
b) zich bevoorraden met producten die niet verwerkt mogen worden, tenzij de grondstof aan de communautaire voorschriften voldoet;
c) beschikken over afgesloten gebouwen waarvan de ingang en de uitgang permanent gecontroleerd worden door de voor het entrepot verantwoordelijke persoon. Op entrepots in een vrije zone zijn de eisen van artikel 12, lid 4, onder b), eerste streepje, tweede zin, van toepassing;
d) zich ertoe verbinden de in artikel 12, lid 4, bedoelde producten niet op een van de in bijlage I vermelde grondgebieden in het vrije verkeer te zullen brengen;
e) de bevoegde autoriteit zo spoedig mogelijk melden dat de betrokken producten in een onder c) bedoeld entrepot zijn aangekomen.
2. De in lid 1 bedoelde handelaren moeten
a) hun producten rechtstreeks aan boord van de zeevervoermiddelen afleveren, of in een speciaal erkend entrepot in de haven van bestemming, met dien verstande dat er maatregelen genomen moeten worden om ervoor te zorgen dat de betrokken producten het havengebied in geen geval kunnen verlaten. Het vervoer van het entrepot van oorsprong naar de haven van bestemming moet onder douanetoezicht plaatsvinden volgens de T 1-procedure van Verordening (EEG) nr. 2913/92, en vergezeld gaan van een veterinair certificaat waarvan het model volgens de procedure van lid 6 moet worden vastgesteld;
b) de bevoegde autoriteit van het havengebied van de lidstaat van waaruit de producten geleverd worden en de bevoegde autoriteiten van het havengebied van de lidstaat van bestemming vooraf in kennis stellen van de datum van verzending van de producten en van de plaats van bestemming;
c) een officieel bewijsstuk overleggen dat de producten hun eindbestemming bereikt hebben;
d) ten minste drie jaar een register van in- en uitgaande producten bijhouden. Aan de hand van dat register moeten de in het entrepot bewaarde delen van de partijen gecontroleerd kunnen worden.
3. Handelaren mogen vaartuigen alleen bevoorraden met producten die niet aan de communautaire eisen voldoen als zij bestemd zijn voor de bevoorrading van bemanning en passagiers buiten de volgens de nationale regelgevingen gedefinieerde kustzones van de in bijlage I vermelde grondgebieden.
4. De bevoegde autoriteit van het havengebied van de lidstaat van waaruit de producten geleverd worden stelt de bevoegde autoriteit van het havengebied van de lidstaat van bestemming uiterlijk op het moment van verzending van de producten van de levering in kennis en meldt haar via het Animo-net de plaats van bestemming van de producten.
5. Indien de voorwaarden van dit artikel niet worden nageleefd, moet de bevoegde autoriteit de in lid 1, onder a), bedoelde goedkeuring intrekken. Zij stelt de Commissie en de andere lidstaten daarvan in kennis.
6. De bepalingen ter uitvoering van dit artikel, met name de controleprocedures die gevolgd moeten worden voor en tijdens het vervoer en de aflevering van de producten die rechtstreeks aan boord van de zeevervoermiddelen gebracht moeten worden, alsmede het bewijsstuk dat die producten hun wettelijke bestemming bereikt hebben, worden volgens de procedure van artikel 29 vastgesteld.