Art. 6
1. De grensinspectiepost moet:
a) gelegen zijn in de onmiddellijke nabijheid van de plaats van binnenkomst op een van de in bijlage I vermelde grondgebieden en op een door de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 38, lid 1, eerste alinea, onder a) en b), van Verordening (EEG) nr. 2913/92 aangewezen plaats.
Wanneer dit evenwel nodig is, kan om geografische redenen (loskade, bergpas) volgens de procedure van lid 2 worden toegestaan dat een grensinspectiepost op enige afstand van de plaats van binnenkomst ligt; dit is ook het geval bij vervoer per spoor: het door de bevoegde autoriteit aangewezen eerste spoorwegstation waar gestopt wordt;
b) onder het gezag staan van een officiële dierenarts die feitelijk de verantwoordelijkheid voor de controles draagt. De officiële dierenarts mag zich door speciaal daartoe opgeleide hulpkrachten laten bijstaan.
Hij ziet erop toe, dat de databases zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, derde streepje, van Beschikking 92/438/EEG, volledig worden bijgewerkt.
2. Volgens de procedure van artikel 29 kan de lijst van grensinspectieposten die geldig is op de datum van bekendmaking van deze richtlijn, later gewijzigd of aangevuld worden
a) door de toevoeging van een nieuwe grensinspectiepost die
- door de lidstaat wordt voorgesteld, nadat de bevoegde autoriteit zich ervan heeft vergewist dat de voorschriften van bijlage II bij deze richtlijn en Beschikking 92/525/EEG van de Commissie van 3 november 1992 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van de inspectieposten aan de grens van de Gemeenschap die belast zijn met de veterinaire controles bij het binnenbrengen van producten uit derde landen (11), worden nageleefd,
- door de Commissie, in samenwerking met de bevoegde autoriteit van de lidstaat, wordt gecontroleerd;
b) door schrapping van een grensinspectiepost, wanneer wordt geconstateerd dat niet aan de in bijlage II bedoelde voorwaarden voldaan wordt, hetzij bij een door de bevoegde autoriteit verrichte controle, hetzij ingevolge de in artikel 23 bedoelde inspecties, indien de lidstaat niet binnen een redelijke termijn rekening houdt met de conclusies van deze inspectie, met name wanneer die inspecties een ernstig gevaar voor de volksgezondheid of de diergezondheid aan het licht hebben gebracht.
3. Een lidstaat moet om ernstige redenen, met name van volksgezondheid of diergezondheid, de erkenning van een op zijn grondgebied gelegen grensinspectiepost opschorten. Hij stelt de Commissie en de andere lidstaten in kennis van de opschorting en de redenen daarvoor. De grensinspectiepost kan alleen overeenkomstig lid 2, onder a), opnieuw op de lijst geplaatst worden.
4. De Commissie stelt een lijst van de erkende grensinspectieposten, met inbegrip van de gevallen van tijdelijke opschorting van erkenning, vast en maakt deze bekend.
5. Hangende de vaststelling van de in lid 2, onder a), bedoelde besluiten blijft de bij Richtlijn 90/675/EEG vastgestelde lijst van toepassing, onverminderd het in lid 3 bedoelde geval.
6. De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 29.