Art. 723 Verordening (EEG) nr. 2454/93
1. Gebruikmaking van de regeling tijdelijke invoer wordt toegestaan voor vervoermiddelen voor vervoer over zee of over de binnenwateren.
2. De in lid 1 bedoelde vervoermiddelen mogen in het douanegebied van de Gemeenschap verblijven gedurende de tijd die nodig is om het doel te bereiken waarvoor de tijdelijke invoer werd aangevraagd, zoals het aanvoeren, de in- of ontscheping van passagiers, het laden en lossen van goederen, vervoer en onderhoud.
3. Artikel 718, leden 6 en 7, is van overeenkomstige toepassing op vervoermiddelen voor vervoer over zee en over de binnenwateren voor bedrijfsdoeleinden. De douaneautoriteiten kunnen in uitzonderlijke gevallen toestaan dat een in het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde persoon onder de regeling tijdelijke invoer geplaatste schepen invoert en voor een beperkte, door de douaneautoriteiten voor elk afzonderlijk geval vast te stellen, periode gebruikt.
4. Wanneer de in lid 1 bedoelde vervoermiddelen voor particulier vervoer over zee of over de binnenwateren worden gebruikt, is artikel 719, lid 3, van toepassing.
5. De in lid 4 bedoelde vervoermiddelen mogen voor een al dan niet onderbroken duur van zes maanden per tijdvak van twaalf maanden in het douanegebied van de Gemeenschap verblijven.
6. Artikel 719, leden 8 tot en met 12, is van overeenkomstige toepassing op vervoermiddelen voor vervoer over zee of over de binnenwateren voor particulier gebruik.
7. In afwijking van artikel 717 kunnen de douaneautoriteiten in uitzonderlijke gevallen, waarin voor particulier gebruik bestemde vaartuigen voor vervoer over de binnenwateren niet kunnen worden afgemeerd wegens de ontoereikende infrastructuur van aan meren gelegen havens buiten het douanegebied van de Gemeenschap, toestaan dat een in het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde natuurlijke persoon een onder de regeling tijdelijke invoer geplaatst schip invoert, dat gebruikt wordt in het communautaire deel van een meer dat zowel in de Gemeenschap als in het land van registratie van het vaartuig is gelegen. De belanghebbende dient, met alle middelen die de douaneautoriteiten toelaten, het bewijs te leveren dat de infrastructuur van bedoelde havens aan dit meer ontoereikend is.
e) Laadborden