Art. 719 Verordening (EEG) nr. 2454/93

Verordening (EEG) nr. 2454/93

1. Gebruikmaking van de regeling tijdelijke invoer wordt toegestaan voor voertuigen voor het vervoer over de weg voor particulier gebruik.

2. In dit artikel wordt onder "voertuigen" verstaan alle wegvoertuigen met inbegrip van caravans en aanhangwagens die aan een motorvoertuig kunnen worden gekoppeld.

3. Voor het in lid 1 bedoelde gebruik van de regeling tijdelijke invoer geldt als voorwaarde dat de voertuigen:

a) worden ingevoerd door buiten het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde personen;

b) door die personen voor particuliere doeleinden worden gebruikt, en

c) buiten het douanegebied van de Gemeenschap op naam van een buiten dat gebied gevestigde persoon zijn geregistreerd. Indien deze voertuigen niet zijn geregistreerd, wordt deze voorwaarde geacht te zijn vervuld wanneer de voertuigen toebehoren aan een buiten het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde persoon.

4. In afwijking van lid 3:

a) kan gebruikmaking van de regeling eveneens worden toegestaan voor niet-communautaire voertuigen wanneer deze voertuigen in het douanegebied van de Gemeenschap, met het oog op de wederuitvoer, in een categorie "bijzondere kentekens" worden opgenomen, waarbij de kentekenplaat aan een buiten het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde persoon wordt toegekend;

b) kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat een in het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde natuurlijke persoon, die in dienst is van een buiten dat gebied gevestigde persoon, hetzij voor privédoeleinden hetzij voor de uitoefening van een andere dan de in het kader van bedrijfsdoeleinden omschreven bezoldigde activiteit, een aan deze laatste persoon toebehorend voertuig gebruikt, voor zover in dit gebruik bij de arbeidsovereenkomst is voorzien.

5. In de volgende gevallen kan eveneens van de regeling tijdelijke invoer gebruik worden gemaakt:

a) wanneer een persoon een voertuig voor particulier gebruik dat is ingeschreven in het land waar hij zijn normale verblijfplaats heeft, regelmatig binnen het douanegebied van de Gemeenschap gebruikt om het traject van zijn verblijfplaats naar zijn plaats van tewerkstelling en omgekeerd af te leggen. Voor dit gebruik van de regeling gelden geen andere tijdsbeperkingen;

b) wanneer een student een voertuig voor particulier gebruik dat is ingeschreven in het land waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, binnen het douanegebied van de Gemeenschap gebruikt waar hij uitsluitend verblijft om te studeren.

6. Onverminderd lid 5, onder a), kunnen de in lid 1 bedoelde voertuigen in het douanegebied van de Gemeenschap verblijven:

a) gedurende een al dan niet onderbroken duur van zes maanden per tijdvak van twaalf maanden;

b) gedurende het verblijf van de student binnen het douanegebied van de Gemeenschap in het in lid 5, onder b), bedoelde geval.

7. Lid 5, onder b), en lid 6, onder b), zijn van overeenkomstige toepassing in het geval van personen die met een opdracht van een bepaalde duur zijn belast.

8. Voor de toepassing van lid 3, onder a) en b), mogen voertuigen voor particulier gebruik na invoer in het douanegebied van de Gemeenschap slechts met het oog op een onmiddellijke wederuitvoer worden verhuurd, uitgeleend of ter beschikking gesteld of, indien zij op het tijdstip van de invoer waren verhuurd, uitgeleend of ter beschikking gesteld, opnieuw worden verhuurd of onderverhuurd, of ten tweede male worden uitgeleend of ter beschikking gesteld.

9. Met toepassing van lid 8 mogen voertuigen voor particulier gebruik die eigendom zijn van een buiten het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde verhuuronderneming opnieuw worden verhuurd aan een buiten dat gebied gevestigde natuurlijke persoon met het oog op de wederuitvoer binnen een termijn die aan het oordeel van de douaneautoriteiten wordt overgelaten, wanneer deze voertuigen zich bij afloop van het huurcontract in het douanegebied van de Gemeenschap bevinden.

10. In afwijking van lid 8:

a) mogen de echtgenoot en de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande en neergaande lijn van een buiten het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde persoon, die hun gewone verblijfplaats buiten dit gebied hebben, ook gebruik maken van het voertuig voor particulier gebruik van deze persoon, dat onder de regeling tijdelijke invoer is geplaatst;

b) kan een voertuig voor particulier gebruik ook incidenteel gebruikt worden door een binnen het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde persoon, wanneer deze handelt voor rekening en in opdracht van het subject van de regeling die zich in dit gebied bevindt.

11. In afwijking van artikel 717:

a) wordt de in lid 9 bedoelde mogelijkheid tot gebruikmaking van de regeling tijdelijke invoer uitgebreid tot natuurlijke personen die in het douanegebied van de Gemeenschap zijn gevestigd. De voertuigen mogen eveneens buiten het douanegebied van de Gemeenschap worden gebracht door een in dit gebied woonachtige werknemer van de verhuuronderneming;

b) mag een in het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde natuurlijke persoon buiten dit gebied een voertuig voor particulier gebruik dat aan de voorwaarden in lid 3, onder c), voldoet, huren of lenen ten einde terug te keren naar de Lid-Staat waar hij woonachtig is. De termijn voor de wederuitvoer van het voertuig wordt door de douaneautoriteiten vastgesteld rekening houdend met de bijzondere omstandigheden van elk geval;

c) kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat de in lid 4 bedoelde mogelijkheid tot gebruikmaking van de regeling tijdelijke invoer wordt uitgebreid tot in het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde natuurlijke personen die hun normale verblijfplaats op korte termijn naar een derde land overbrengen, voor zover:

- de betrokkene met elk middel dat deze autoriteiten toelaten het bewijs levert dat hij inderdaad van verblijfplaats verandert,

- het voertuig binnen drie maanden na registratie wordt uitgevoerd.

12. Voor de toepassing van lid 6, onder a), stelt het subject van de regeling tijdelijke invoer de douaneautoriteiten ervan in kennis indien hij het verblijf van een onder de regeling tijdelijke invoer geplaatst voertuig in het douanegebied van de Gemeenschap wenst te onderbreken en neemt hij de maatregelen die deze douaneautoriteiten nodig achten om te beletten dat het voertuig gedurende deze onderbreking wordt gebruikt.