Art. 17 Verordening (EEG) nr. 259/93

Verordening (EEG) nr. 259/93

1. De Commissie brengt vóór de datum van toepassing van deze verordening aan ieder land waarop het OESO-besluit niet van toepassing is de lijst van afvalstoffen van bijlage II ter kennis en vraagt het land van bestemming schriftelijk te bevestigen dat dergelijke afvalstoffen in dat land niet zijn onderworpen aan controle en dat het aanvaardt dat categorieën van dergelijke afvalstoffen worden overgebracht zonder dat de voor bijlage III of IV geldende controleprocedures worden toegepast, of wel aan te geven of enige van deze afvalstoffen moeten worden onderworpen aan die procedures of aan de procedure van artikel 15.

Indien deze bevestiging zes maanden vóór de datum van toepassing van deze verordening nog niet is ontvangen, legt de Commissie passende voorstellen aan de Raad voor.

2. Indien de in bijlage II genoemde afvalstoffen worden uitgevoerd, dienen zij bestemd te zijn voor handelingen ter nuttige toepassing in een inrichting die krachtens de toepasselijke nationale wetgeving in bedrijf is of een vergunning heeft in het land van invoer. Voorts wordt een stelsel van toezicht op basis van voorafgaande automatische uitvoervergunningen vastgesteld in gevallen die volgens de procedure van artikel 18 van Richtlijn 75/442/EEG worden bepaald.

Bij een dergelijk stelsel moet er in alle gevallen in zijn voorzien dat een afschrift van de uitvoervergunning onverwijld wordt toegezonden aan de autoriteiten van het betrokken land.

3. Indien dergelijke afvalstoffen onderworpen zijn aan controle in het land van bestemming of wanneer dat land daarom verzoekt overeenkomstig lid 1, dan wel wanneer een land van bestemming krachtens artikel 3 van het Verdrag van Bazel heeft gemeld dat het bepaalde soorten in bijlage II genoemde afvalstoffen als gevaarlijk beschouwt, wordt de uitvoer van die afvalstoffen naar dat land aan controle onderworpen. Al die gevallen worden door de Lid-Staat van uitvoer of door de Commissie gemeld aan het bij artikel 18 van Richtlijn 75/442/EEG ingestelde comité. De Commissie bepaalt in overleg met het land van bestemming welke van de controleprocedures van toepassing is, d.w.z. die welke gelden voor bijlage III of IV dan wel de procedure van artikel 15.

4. Indien in bijlage VIII genoemde afvalstoffen voor nuttige toepassing uit de Gemeenschap worden uitgevoerd naar en via landen waarop het OESO-besluit van toepassing is, zijn de artikelen 6, 7 en 8, alsmede artikel 9, leden 1, 3, 4 en 5, van toepassing, waarbij de bepalingen betreffende de bevoegde autoriteiten van verzending en doorvoer slechts van toepassing zijn op de bevoegde autoriteiten in de Gemeenschap.

5. Voorts worden de bevoegde autoriteiten van het land van uitvoer en de EG-landen van doorvoer in kennis gesteld van het in artikel 9 bedoelde besluit.

6. Indien voor nuttige toepassing bestemde, in bijlage IV genoemde afvalstoffen en voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen die nog niet in één van de bijlagen II, III en IV zijn opgenomen voor nuttige toepassing worden uitgevoerd naar en via landen waarop het OESO-besluit van toepassing is, is artikel 10 van overeenkomstige toepassing.

7. Indien afvalstoffen overeenkomstig de leden 4, 5 en 6 worden uitgevoerd geldt voorts het volgende:

- de vervoerder geeft een exemplaar van het begeleidende document af aan het laatste douanekantoor van uitgang wanneer de afvalstoffen de Gemeenschap verlaten;

- zodra de afvalstoffen de Gemeenschap hebben verlaten zendt het douanekantoor van uitgang een afschrift van het begeleidende document aan de bevoegde autoriteit van uitvoer;

- indien de bevoegde autoriteit van uitvoer 42 dagen nadat de afvalstoffen de Gemeenschap hebben verlaten geen bericht van de ontvanger heeft gekregen dat hij de afvalstoffen heeft ontvangen, stelt zij terstond de bevoegde autoriteit van bestemming op de hoogte;

- het contract dient te bepalen dat de ontvanger de kosten draagt die voortvloeien uit de verplichting de afvalstoffen terug te brengen naar het rechtsgebied van de bevoegde autoriteit van verzending en uit de verwijdering of nuttige toepassing op een andere, milieuhygiënisch verantwoorde wijze, indien hij een onjuiste verklaring afgeeft op grond waarvan de borgsom wordt vrijgegeven.

8. Indien voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen die in de bijlagen III en IV worden genoemd en voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen die nog niet in een van de bijlagen II, III en IV zijn opgenomen worden uitgevoerd naar en via landen waarop het OESO-besluit niet van toepassing is, geldt het volgende:

- artikel 15, uitgezonderd lid 3, is van overeenkomstige toepassing;

- gemotiveerde bezwaren mogen alleen naar voren worden gebracht overeenkomstig artikel 7, lid 4,

tenzij anders is bepaald in bilaterale en multilaterale overeenkomsten die gesloten zijn in overeenstemming met artikel 16, lid 1, onder b), en op basis van de controleprocedure van hetzij lid 4 of lid 6 van dit artikel, hetzij artikel 15.

Hoofdstuk C Uitvoer van afvalstoffen naar ACS-Staten