Art. 16 Verordening (EEG) nr. 259/93
1. Uitvoer van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen is verboden, behoudens naar:
a) landen waarop het OESO-besluit van toepassing is;
b) andere landen:
- die partij zijn bij het Verdrag van Bazel en/of waarmee de Gemeenschap, of de Gemeenschap en haar Lid-Staten, bilaterale, multilaterale of regionale overeenkomsten of regelingen hebben getroffen in overeenstemming met artikel 11 van het Verdrag van Bazel en het hierna volgende lid 2, of
- waarmee afzonderlijke Lid-Staten vóór de toepassingsdatum van deze verordening bilaterale overeenkomsten en regelingen hebben getroffen, voor zover die verenigbaar met het Gemeenschapsrecht en in overeenstemming met artikel 11 van het Verdrag van Bazel en met lid 2 zijn. Die overeenkomsten of regelingen worden binnen drie maanden na de toepassingsdatum van deze verordening of de toepassingsdatum van die overeenkomsten of regelingen, voor zover die eerder valt, aan de Commissie gemeld en verliezen hun geldigheid wanneer overeenkomsten of regelingen worden getroffen in overeenstemming met het eerste streepje.
2. De in lid 1, onder b), bedoelde overeenkomsten en regelingen moeten een milieuhygiënisch verantwoord beheer van de afvalstoffen, overeenkomstig artikel 11 van het Verdrag van Bazel, waarborgen en met name:
a) waarborgen dat de handeling ter nuttige toepassing plaatsvindt in een goedgekeurd centrum dat zich houdt aan de vereisten van een milieuhygiënisch verantwoord beheer;
b) de voorwaarden vaststellen voor de behandeling van afvalcomponenten die niet nuttig kunnen worden toegepast en in voorkomend geval de kennisgever verplichten deze terug te nemen;
c) het in voorkomend geval mogelijk maken om de naleving van de overeenkomsten ter plaatse te onderzoeken in overeenstemming met de betrokken landen;
d) periodiek door de Commissie worden getoetst, voor het eerst uiterlijk op 31 december 1996, rekening houdend met de opgedane ervaring en met de mogelijkheden van de betrokken landen om activiteiten van nuttige toepassing op zodanige wijze uit te voeren dat een milieuhygiënisch verantwoord beheer ten volle gewaarborgd is. De Commissie stelt het Europese Parlement en de Raad in kennis van de resultaten van dit onderzoek. Indien uit dit onderzoek blijkt dat de milieuwaarborgen ontoereikend zijn, zal de voortzetting van de uitvoer van afvalstoffen onder zulke voorwaarden op voorstel van de Commissie worden heroverwogen, met inbegrip van de mogelijkheid van een verbod.
3. Onverminderd artikel 25, lid 2, en artikel 26, lid 2, is uitvoer van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen naar de in lid 1 bedoelde landen echter verboden:
a) indien een dergelijk land alle invoer van deze afvalstoffen verbiedt of voor de specifieke invoer ervan geen toestemming heeft gegeven;
b) indien de bevoegde autoriteit van verzending redenen heeft om aan te nemen dat de afvalstoffen in een dergelijk land niet met milieuhygiënisch verantwoorde methoden zullen worden beheerd.
4. De bevoegde autoriteit van verzending eist dat alle voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen waarvoor een uitvoervergunning wordt afgegeven gedurende de gehele overbrenging en in de Staat van bestemming op milieuhygiënisch verantwoorde wijze worden beheerd.