Art. 7 Richtlijn 93/22/EEG

Richtlijn 93/22/EEG

1. De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van:

a) elke vergunningsverlening voor een rechtstreekse of middellijke dochteronderneming van een of meer moederondernemingen die onder het recht van een derde land vallen;

b) elke deelneming van een dergelijke moederonderneming in een beleggingsonderneming van de Gemeenschap waardoor deze onderneming haar dochteronderneming zou worden.

In afwachting van de oprichting door de Raad, op voorstel van de Commissie, van een comité voor het effectenbedrijf stelt de Commissie in beide gevallen de Raad daarvan in kennis.

Wanneer vergunning wordt verleend aan een rechtstreekse of middellijke dochteronderneming van een of meer moederondernemingen die onder het recht van een derde land vallen, wordt de structuur van de groep vermeld in de kennisgeving van de bevoegde autoriteiten aan de Commissie.

2. De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de algemene moeilijkheden die hun beleggingsondernemingen ondervinden bij vestiging of het verrichten van beleggingsdiensten in een derde land.

3. De Commissie stelt, voor de eerste maal niet later dan zes maanden vóór het van toepassing worden van deze richtlijn en vervolgens periodiek, een verslag op waarin de in de leden 4 en 5 bedoelde behandeling van beleggingsondernemingen van de Gemeenschap in derde landen, met betrekking tot de vestiging en het verrichten van beleggingsdiensten en het verwerven van deelnemingen in beleggingsondernemingen van derde landen wordt onderzocht. De Commissie legt deze verslagen, in voorkomend geval vergezeld van passende voorstellen, voor aan de Raad.

4. Indien de Commissie vaststelt, hetzij op grond van de in lid 3 bedoelde verslagen, hetzij op basis van andere informatie, dat een derde land de beleggingsondernemingen van de Gemeenschap geen daadwerkelijke toegang tot de markt verleent die vergelijkbaar is met die welke de Gemeenschap toekent aan beleggingsondernemingen van dat derde land, kan zij aan de Raad voorstellen doen om een passend onderhandelingsmandaat te verkrijgen ten einde voor de beleggingsondernemingen van de Gemeenschap vergelijkbare concurrentiemogelijkheden te verkrijgen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

5. Indien de Commissie vaststelt, hetzij op grond van de in lid 3 bedoelde verslagen, hetzij op basis van andere informatie, dat in een derde land beleggingsondernemingen niet de nationale behandeling krijgen die dezelfde concurrentiemogelijkheden biedt als die welke aan binnenlandse beleggingsondernemingen worden geboden, en dat de voorwaarden voor daadwerkelijke toegang tot de markt niet zijn vervuld, kan zij onderhandelingen openen om dit euvel te verhelpen.

In de in de eerste alinea bedoelde omstandigheden kan ook, naast het openen van onderhandelingen, te allen tijde, overeenkomstig de procedure die zal worden vastgesteld in de richtlijn waarbij de Raad het in lid 1 bedoelde comité zal oprichten, worden besloten dat de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten hun beslissingen inzake reeds ingediende of toekomstige vergunningsaanvragen en het verwerven van deelnemingen door recht-streekse of middellijke moederondernemingen die onder het recht van het betrokken derde land vallen, moeten beperken of opschorten. De bedoelde maatregelen zijn ten hoogste drie maanden geldig.

Vóór het verstrijken van deze termijn van drie maanden kan de Raad in het licht van het resultaat van de onderhandelingen, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten of de maatregelen van toepassing blijven.

Een dergelijke beperking of opschorting geldt niet voor de oprichting van dochterondernemingen door beleggingsondernemingen die een vergunning hebben gekregen in de Gemeenschap, of door dochterondernemingen daarvan, noch voor het verwerven van deelnemingen door dergelijke beleggingsondernemingen of dochterondernemingen in een beleggingsonderneming van de Gemeenschap.

6. Indien de Commissie een van de in de leden 4 en 5 bedoelde situaties constateert, stellen de Lid-Staten haar desgevraagd in kennis van:

a) elke vergunningsaanvraag door een rechtstreekse of middellijke dochteronderneming waarvan een of meer moederondernemingen onder het recht van het betrokken derde land vallen;

b) elk op grond van artikel 10 door een dergelijke moederonderneming aan hen voorgelegd voornemen tot verwerving van een deelneming in een beleggingsonderneming van de Gemeenschap, waardoor deze instelling haar dochteronderneming zou worden.

Deze kennisgevingsverplichting vervalt zodra met het derde land als bedoeld in lid 4 of lid 5 een overeenkomst is gesloten of wanneer de in lid 5, tweede en derde alinea, bedoelde maatregelen niet meer van toepassing zijn.

7. De krachtens dit artikel getroffen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met de verplichtingen die de Gemeenschap heeft uit hoofde van bilaterale of multilaterale overeenkomsten inzake de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van beleggingsondernemingen.