Art. 9 Richtlijn 93/22/EEG

Richtlijn 93/22/EEG

1. De Lid-Staten bepalen dat iedere persoon die het voornemen heeft om rechtstreeks of middellijk een gekwalificeerde deelneming in een beleggingsonderneming te verwerven, de bevoegde autoriteiten daarvan vooraf in kennis moet stellen onder vermelding van het bedrag van die deelneming. Tot kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten is eveneens gehouden iedere persoon die het voornemen heeft de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te vergroten dat het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen 20 %, 33 % of 50 % bereikt of overschrijdt of dat de beleggingsonderneming zijn dochteronderneming wordt.

Onverminderd lid 2 beschikken de bevoegde autoriteiten over een termijn van ten hoogste drie maanden, te rekenen vanaf de datum van de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving, om zich tegen het voornemen te verzetten indien zij, gelet op de noodzaak een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de beleggingsonderneming te garanderen, niet overtuigd zijn van de geschiktheid van de in de eerste alinea bedoelde persoon. Indien er geen bezwaar is, kunnen de autoriteiten een maximumtermijn vaststellen voor de uitvoering van het voornemen.

2. Indien de verwerver van de in lid 1 bedoelde deelnemingen een beleggingsonderneming is waaraan in een andere Lid-Staat vergunning is verleend, of een moederonderneming van een beleggingsonderneming waaraan in een andere Lid-Staat vergunning is verleend, of een persoon die zeggenschap heeft over een beleggingsonderneming waaraan in een andere Lid-Staat vergunning is verleend, en indien de beleggingsonderneming waarin de verwervende onderneming een deelneming wil verkrijgen, daardoor een dochteronderneming van die onderneming wordt of onder haar zeggenschap komt, moet over de verwerving voorafgaand overleg plaatsvinden overeenkomstig artikel 6.

3. De Lid-Staten bepalen dat iedere persoon die het voornemen heeft rechtstreeks of middellijk zijn gekwalificeerde deelneming in een beleggingsonderneming af te stoten, de bevoegde autoriteiten daarvan vooraf in kennis moet stellen onder vermelding van het bedrag van deze deelneming. Tot kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten is eveneens gehouden iedere persoon die het voornemen heeft de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te verkleinen dat het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen onder 20 %, 33 % of 50 % daalt of dat de beleggingsonderneming ophoudt zijn dochteronderneming te zijn.

4. Zodra zij daarvan kennis hebben, stellen de beleggingsondernemingen de bevoegde autoriteiten in kennis van de verwervingen of afstotingen van deelnemingen in hun kapitaal waardoor stijging boven of daling onder een van de drempels als bedoeld in de leden 1 en 3 optreedt.

Tevens stellen zij de bevoegde autoriteiten ten minste eens per jaar in kennis van de identiteit van de aandeelhouders of vennoten die gekwalificeerde deelnemingen bezitten, alsmede van de omvang van die deelnemingen zoals die met name blijken uit de gegevens die worden verstrekt bij de jaarlijkse algemene vergadering van aandeelhouders of vennoten, of uit de informatie die is ontvangen uit hoofde van de verplichtingen van ter beurze genoteerde vennootschappen.

5. De Lid-Staten bepalen dat, indien de door de in lid 1 bedoelde personen uitgeoefende invloed een prudente en gezonde bedrijfsvoering van de beleggingsonderneming zou kunnen belemmeren, de bevoegde autoriteiten de passende maatregelen treffen om aan deze toestand een einde te maken. Deze maatregelen kunnen met name bestaan in bindende aanwijzingen, sancties tegen bestuurders en schorsing van de uitoefening van de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen welke door de betrokken aandeelhouders of vennoten worden gehouden.

Soortgelijke maatregelen zijn van toepassing op personen die de in lid 1 van dit artikel bedoelde verplichting inzake voorafgaande kennisgeving niet naleven. Wanneer een deelneming wordt verworven ondanks het bezwaar van de bevoegde autoriteiten, bepalen de Lid-Staten, onverminderd andere te treffen sancties, dat de uitoefening van de betrokken stemrechten wordt geschorst of dat de uitgebrachte stemmen nietig zijn of nietig verklaard kunnen worden.

Uitspraken die dit artikel aanhalen