Art. 3 Richtlijn 93/22/EEG
1. Elke Lid-Staat stelt de toegang tot de werkzaamheden van beleggingsondernemingen waarvoor hij de Lid-Staat van herkomst is, afhankelijk van een vergunning. Deze vergunning wordt verleend door de overeenkomstig artikel 22 aangewezen bevoegde autoriteiten van deze Lid-Staat. In de vergunning worden de in deel A van de bijlage bedoelde beleggingsdiensten vermeld die de onderneming mag verrichten. De vergunning kan tevens een of meer nevendiensten als bedoeld in deel C van de bijlage bestrijken. Een vergunning in de zin van deze richtlijn mag onder geen beding worden afgegeven voor diensten die alleen tot deel C van de bijlage behoren.
2. De Lid-Staten eisen:
- dat het hoofdkantoor van beleggingsondernemingen die rechtspersonen zijn en die overeenkomstig hun nationale wetgeving een statutaire zetel hebben, zich bevindt in de Lid-Staat waar de statutaire zetel is gevestigd;
- dat het hoofdkantoor van andere beleggingsondernemingen zich bevindt in de Lid-Staat waar de vergunning is afgegeven en waar zij feitelijk werkzaam zijn.
3. Onverminderd andere in de nationale wetgeving vervatte algemeen toepasselijke voorwaarden verlenen de bevoegde autoriteiten de vergunning slechts indien:
- de beleggingsonderneming, gelet op de aard van de betrokken beleggingsdienst, over voldoende aanvangskapitaal beschikt overeenkomstig Richtlijn 93/6/EEG;
- de personen die het bedrijf van de beleggingsonderneming feitelijk leiden, als voldoende betrouwbaar bekendstaan en over voldoende ervaring beschikken.
De beleidslijnen voor de activiteit van de onderneming moeten worden bepaald door ten minste twee personen die aan deze zelfde voorwaarden voldoen. De bevoegde autoriteiten kunnen evenwel ook vergunning verlenen aan een beleggingsonderneming die een natuurlijke persoon is of, rekening houdend met de aard en de omvang van haar werkzaamheden, een beleggingsonderneming die een rechtspersoon is en overeenkomstig haar statuten en haar nationale wetgeving wordt geleid door één natuurlijke persoon, mits een passend mechanisme een gelijkwaardig resultaat garandeert, met name ten aanzien van artikel 1, punt 2, derde alinea, laatste streepje.
4. De Lid-Staten bepalen bovendien dat de vergunningsaanvraag vergezeld moet gaan van een programma van werkzaamheden waarin met name de aard van de beoogde verrichtingen alsmede de organisatiestructuur van de beleggingsonderneming worden vermeld.
5. De aanvrager wordt er binnen zes maanden na de indiening van een volledige aanvraag van in kennis gesteld of de vergunning toegekend dan wel geweigerd is. Weigering van een vergunning wordt met redenen omkleed.
6. Wanneer de vergunning wordt verleend, mag de beleggingsonderneming onmiddellijk haar werkzaamheden aanvangen.
7. De bevoegde autoriteiten mogen de vergunning die aan een onder deze richtlijn vallende beleggingsonderneming is verleend, slechts intrekken indien deze beleggingsonderneming:
a) binnen een termijn van twaalf maanden geen gebruik maakt van de vergunning, uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven geen gebruik van de vergunning te zullen maken of het verrichten van beleggingsdiensten gedurende een periode van meer dan zes maanden heeft gestaakt, tenzij de betrokken Lid-Staat voorschrijft dat in die gevallen de vergunning vervalt;
b) de vergunning heeft gekregen door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze;
c) niet meer voldoet aan de voorwaarden waarop de vergunning is verleend;
d) niet meer voldoet aan Richtlijn 93/6/EEG;
e) de in toepassing van de artikelen 10 en 11 vastgestelde bepalingen op ernstige wijze en systematisch heeft overtreden;
f) in een van de overige gevallen verkeert waarvoor de nationale voorschriften in intrekking voorzien.