Art. 7 Verordening (EEG) nr. 3760/92
1. In de in bijlage II gedefinieerde gebieden worden, voor soorten die in dat gebied van speciaal belang zijn en die biologisch kwetsbaar zijn wegens de kenmerken van hun exploitatie, de visserijactiviteiten van vaartuigen met een lengte tussen de loodlijnen van ten minste 26 meter, ten aanzien van andere demersale soorten dan kever en blauwe wijting, onderworpen aan een namens de Gemeenschap door de Commissie beheerd vergunningenstelsel en aan procedures voor de melding aan de bevoegde controleautoriteiten van het in- en uitvaren van het betrokken gebied, overeenkomstig de in genoemde bijlage vermelde voorwaarden.
2. De uitvoeringsbepalingen en de procedures voor de invoering van de visvergunningenstelsels, alsmede de procedures voor de melding van de verplaatsing van vissersvaartuigen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 18.