Art. 8 Verordening (EEG) nr. 3760/92
1. Overeenkomstig artikel 4 kan het exploitatieniveau worden geregeld door voor de betrokken periode de omvang van de toegestane vangsten en zo nodig de visserijinspanning te beperken. In de gevallen waarin een beperking van de vangsten niet adequaat is, kan het exploitatieniveau worden geregeld door uitsluitend de visserijinspanning te beperken.
2. Mocht het nodig blijken om voor een visserijtak de exploitatieniveaus in de communautaire viswateren of voor de communautaire vissersvaartuigen buiten deze wateren te beperken, dan worden deze beperkingen vastgesteld overeenkomstig de leden 3 en 4.
3. De Raad, overeenkomstig de procedure van artikel 43 van het Verdrag,
i) kan, voor meer jaren, voor elke visserijtak of groep van visserijtakken beheersdoelstellingen vaststellen afhankelijk van de specifieke aard van de betrokken bestanden. In voorkomend geval worden deze op multispeciesbasis vastgesteld. Daarbij worden prioritaire doelstellingen aangegeven die, naar gelang van het geval, met name betrekking hebben op het niveau van de bestanden, de produktievormen, de activiteit en de opbrengst;
ii) stelt voor elke visserijtak of groep van visserijtakken waarvoor beheersdoelstellingen zijn bepaald, tevens, zo nodig voor meerdere jaren, beheersstrategieën vast voor de verwezenlijking van de beheersdoelstellingen, met inbegrip van de specifieke voorwaarden waaronder de exploitatieactiviteiten dienen plaast te vinden;
iii) stelt deze doelstellingen en strategieën bij uiterlijk één jaar voor het verstrijken van de voor elke visserijtak of groep van visserijtakken vastgestelde periode.
4. De Raad, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en op voorstel van de Commissie:
i) stelt zonodig voor meer jaren, voor elke visserijtak of groep van visserijtakken per geval de totaal toegestane vangst en/of de totaal toegestane visserijinspanning vast. Deze dienen gebaseerd te zijn op de beheersdoelstellingen en -strategieën die overeenkomstig lid 3 zijn vastgesteld;
ii) verdeelt de vangstmogelijkheden op een zodanige wijze over de Lid-Staten dat elke Lid-Staat verzekerd is van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten voor elk betrokken bestand; op verzoek van de rechtstreeks betrokken Lid-Staten kan echter de ontwikkeling van de miniquota en regelmatige quotaswaps sinds 1983 in aanmerking worden genomen, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met het algemene evenwicht van de verdeling;
iii) stelt, rekening houdend met de belangen van alle Lid-Staten, de methode vast voor de toewijzing van de beschikbare vangsten, wanneer de Gemeenschap nieuwe vangstmogelijkheden opent voor een visserijtak of een groep van visserijtakken die voorheen niet onder het gemeenschappelijk visserijbeleid vielen;
iv) kan tevens per geval de voorwaarden vaststellen voor de jaarlijkse aanpassing van de beschikbare vangsten;
v) kan op basis van wetenschappelijke adviezen, alle nodige tussentijdse aanpassingen van de beheersdoelstellingen en -strategieën vaststellen.