Art. 7 Verordening (EEG) nr. 684/92
Procedure voor de afgifte van vergunningen 1. De vergunning wordt afgegeven met instemming van de bevoegde instanties van alle Lid-Staten op het grondgebied waarvan reizigers worden opgenomen of afgezet. De instantie van afgifte doet hun - alsmede de bevoegde instanties van de Lid-Staten over het grondgebied waarvan gereisd wordt zonder dat reizigers worden opgenomen of afgezet - samen met haar beoordeling, een kopie van de aanvraag en van alle andere dienstige documenten toekomen.
2. De bevoegde instanties van de Lid-Staten aan wie instemming is gevraagd, geven de instantie van afgifte uitsluitsel binnen twee maanden. Deze termijn gaat in op de datum waarop het verzoek om advies is ontvangen. Indien de instantie van afgifte binnen deze termijn geen antwoord ontvangt, worden de geraadpleegde instanties geacht hun instemming te hebben gegeven.
De autoriteiten van de Lid-Staten over het grondgebied waarvan gereisd wordt zonder dat reizigers worden opgenomen of afgezet, kunnen binnen de in de eerste alinea gestelde termijn hun opmerkingen kenbaar maken aan de instantie van afgifte.
3. Onverminderd de leden 7 en 8 neemt de instantie van afgifte een besluit binnen drie maanden na de datum van indiening van de vergunningaanvraag.
4. a) De aanvraag kan worden afgewezen indien:
- de aanvrager niet in staat is het vervoer waarvoor hij een aanvraag heeft ingediend, te verrichten met het materieel waarover hij rechtstreeks beschikt;
- de aanvrager in het verleden niet heeft voldaan aan de nationale of internationale regels inzake het wegvervoer, meer bepaald aan de voorwaarden en vereisten betreffende de vergunningen voor internationaal personenvervoer over de weg of ernstige inbreuken heeft gepleegd op de reglementering inzake de verkeersveiligheid, onder meer ten aanzien van de normen voor de voertuigen en de rij- en rusttijden van de bestuurders;
- in het geval van een aanvraag voor verlenging van de vergunning de voorwaarden voor de vergunning niet zijn vervuld.
b) De aanvraag kan eveneens worden afgewezen:
i) indien wordt vastgesteld dat het vervoer waarop zij betrekking heeft, het bestaan van geregelde diensten waarvoor reeds een vergunning is verleend, rechtstreeks bedreigt, uitgezonderd in het geval dat het geregeld vervoer in kwestie door slechts één vervoerder of groep vervoerders wordt geëxploiteerd; of
ii) indien wordt vastgesteld dat genoemd vervoer ingrijpende gevolgen zou hebben voor de levensvatbaarheid van een vergelijkbaar vervoer per spoor op de betrokken rechtstreekse baanvakken;
iii) indien blijkt dat de exploitatie van het vervoer waarop zij betrekking heeft, uitsluitend gericht is op de meest winstgevende van de bestaande vervoerdiensten op de betrokken verbindingen.
Het feit dat een vervoerder lagere prijzen biedt dan andere ondernemingen voor vervoer over de weg of per spoor, of het feit dat de verbinding in kwestie reeds door andere ondernemingen voor vervoer over de weg of per spoor wordt geëxploiteerd, kan op zich geen rechtvaardiging vormen voor afwijzing van de aanvraag.
5. Slechts op met deze verordening verenigbare gronden mag de instantie van afgifte de aanvraag afwijzen.
6. Indien geen instemming kan worden bereikt als bedoeld in lid 1, kan de zaak binnen de in lid 3 bepaalde termijn bij de Commissie aanhangig worden gemaakt.
7. De Commissie geeft na raadpleging van de betrokken Lid-Staten binnen zes weken een beschikking, die binnen dertig dagen na kennisgeving aan de betrokken Lid-Staten van toepassing wordt.
8. De beschikking van de Commissie blijft van toepassing totdat tussen de betrokken Lid-Staten overeenstemming is bereikt.
9. Nadat de in dit artikel vastgestelde procedure is afgewikkeld, stelt de instantie van afgifte alle in lid 1 bedoelde instanties van haar beschikking in kennis door deze in voorkomend geval een kopie van de vergunning te doen toekomen; de bevoegde instanties van de transitolanden kunnen van deze informatie afzien.