Art. 5 Verordening (EEG) nr. 684/92
Aard van de vergunning 1. Vergunningen voor het vervoer als bedoeld in artikel 4, lid 4, worden gesteld op naam van de vervoerder; zij mogen door hem niet aan derden worden overgedragen. De vervoerder die de vergunning heeft gekregen mag evenwel, met instemming van de instantie bedoeld in artikel 6, lid 1, het vervoer door een onderaannemer laten verrichten. In dat geval moet de naam van de onderaannemer op de vergunning worden vermeld. De onderaannemer moet voldoen aan de in artikel 3, lid 1, vermelde voorwaarden.
In het geval van een associatie van ondernemingen voor de exploitatie van geregeld vervoer of van pendelvervoer zonder logies, wordt de vergunning gesteld op naam van alle ondernemingen. Zij wordt afgegeven aan de ondernemer die het vervoer beheert; de overige ondernemingen ontvangen een kopie. Op de vergunning worden de namen van alle exploitanten vermeld.
2. De geldigheidsduur van de vergunning bedraagt voor geregeld vervoer maximaal vijf, en voor pendelvervoer zonder logies maximaal twee jaar. Er kan een kortere geldigheidsduur worden vastgesteld, hetzij op verzoek van de aanvrager, hetzij in onderlinge overeenstemming met de bevoegde instanties van de Lid-Staten op het grondgebied waarvan reizigers worden opgenomen of afgezet.
3. In de vergunning worden vermeld:
a) het soort vervoer;
b) de reisweg, in het bijzonder de plaats van vertrek en van bestemming;
c) de geldigheidsduur van de vergunning;
d) voor geregeld vervoer de stopplaatsen en de dienstregeling.
4. Het model van de vergunningen wordt, na raadpleging van de Lid-Staten, door de Commissie vastgesteld.
5. De vergunningen geven de houder(s) het recht om in alle Lid-Staten over het grondgebied waarvan de reisweg loopt, geregeld vervoer en pendelvervoer zonder logies te verrichten.