Art. 10 Verordening (EEG) nr. 684/92
Verplichtingen van de vervoersondernemingen 1. De exploitant van geregeld vervoer moet, behalve in geval van overmacht, tot aan het verstrijken van de geldigheidsduur van de vergunning, alle maatregelen nemen om een vervoerdienst te garanderen die voldoet aan de normen continuïteit, regelmaat en capaciteit alsook aan de overige door de bevoegde instantie overeenkomstig artikel 5, lid 3, vastgestelde voorwaarden.
2. De vervoersonderneming zorgt ervoor dat de reisweg, de stopplaatsen, de dienstregeling, de tarieven en de overige vervoersvoorwaarden, voor zover deze niet bij de wet zijn vastgesteld, door alle gebruikers gemakkelijk kunnen worden geraadpleegd.
3. Onverminderd het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 1191/69 hebben de betrokken Lid-Staten de bevoegdheid om, in onderling overleg en in overleg met de houder van de vergunning, in de exploitatievoorwaarden van een geregelde vervoerdienst wijzigingen aan te brengen. AFDELING III ONGEREGELD VERVOER, PENDELVERVOER MET LOGIES EN ANDER VERVOER WAARVOOR GEEN VERGUNNING WORDT GEËIST