Art. 6 Verordening (EEG) nr. 1101/89

Verordening (EEG) nr. 1101/89

1. Door de Commissie worden afzonderlijk voor droge-ladingschepen en voor tankschepen alsook voor duwboten vastgesteld:

- de hoogte van de voor elk vaartuig aan het fonds te betalen jaarlijkse bijdrage,

- de hoogte van de sloopuitkeringen,

- de periode van de sloopactie tijdens welke sloopuitkeringen worden uitbetaald en de toekenningsvoorwaarden voor deze uitkeringen,

- de waarderingscoëfficiënten voor de verschillende types en categorieën binnenschepen. Bij de vaststelling van deze coëfficiënten wordt rekening gehouden met de bijzondere sociaal-economische situatie in de sector vaartuigen met een laadvermogen van minder dan 450 ton.

2. De bijdragen en de sloopuitkeringen worden in ecu uitgedrukt. De tarieven daarvan zijn dezelfde voor alle fondsen.

3. De bijdragen en uitkeringen worden berekend op grondslag van het laadvermogen voor vrachtschepen of het voortstuwingsvermogen voor duwboten.

4. De tarieven van de bijdragen worden zo vastgesteld dat de fondsen over voldoende financiële middelen beschikken om effectief te kunnen bijdragen aan een vermindering van het structureel gebrek aan evenwicht tussen vraag en aanbod in de binnenvaart, rekening houdend met de moeilijke economische situatie in de binnenvaart.

De bijdragen moeten jaarlijks aan het begin van het jaar worden betaald tegen afgifte van een bewijs van betaling. De periode waarin deze betalingen plaatsvinden mag de tien jaar niet overschrijden.

Dit bewijs moet zich met ingang van 1 maart van het betrokken jaar aan boord bevinden van het vaartuig of van de duwboot wanneer het gaat om binnenvaartuigen zonder bemanning. Voor het eerste jaar dat de regeling van kracht is, bepaalt de Commissie vanaf welke datum het bewijs zich aan boord moet bevinden.

5. Met inachtneming van het te bereiken doel bepaalt de Commissie voor welke sloopperiode en onder welke voorwaarden uitkeringen kunnen worden toegekend, afhankelijk van de types of categorieën vaartuigen en de financiële mogelijkheden van de fondsen.

6. De Commissie stelt de regels vast voor de toepassing van de in artikel 5, lid 2, bedoelde financiële solidariteit tussen de fondsen.

7. Na raadpleging van de Lid-Staten en de op communautair niveau representatieve binnenvaartorganisaties stelt de Commissie een uiterste datum vast voor het bereiken van een substantiële vermindering van de overcapaciteit en neemt zij de in de leden 1 tot en met 6 bedoelde besluiten.

Bij het nemen van deze besluiten houdt de Commissie ook rekening met de resultaten van de observatie van de vervoersmarkten in de Gemeenschap en met de te verwachten ontwikkeling daarvan, evenals met de noodzaak te voorkomen dat de mededinging verstoord wordt in een mate die in strijd is met het algemeen belang.